Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2026:3096

Raad van State

Datum uitspraak
29 mei 2026
Publicatiedatum
29 mei 2026
Zaaknummer
BRS.26.002627
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen uitzetting in asielprocedure

Verzoeker heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de minister van Asiel en Migratie op 7 augustus 2025 is afgewezen met de bepaling dat verzoeker de Europese Unie moet verlaten.

De rechtbank Den Haag heeft op 29 april 2026 het beroep van verzoeker gegrond verklaard en het terugkeerbesluit vernietigd, waarbij de minister werd opgedragen de beoordeling te delen met de Griekse autoriteiten en de gevolgen daarvan te beoordelen.

Tegen deze uitspraak hebben zowel de minister als verzoeker hoger beroep ingesteld. Verzoeker heeft vervolgens een voorlopige voorziening gevraagd om niet uitgezet te worden en opvang en verstrekkingen te ontvangen totdat het hoger beroep is beslist.

De voorzieningenrechter heeft dit verzoek toegewezen en bepaald dat verzoeker niet wordt uitgezet totdat het hoger beroep is afgerond. Tevens is de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van verzoeker, bestaande uit kosten voor beroepsmatige rechtsbijstand ter hoogte van € 934,00.

Uitkomst: Verzoeker wordt niet uitgezet totdat het hoger beroep is beslist en de minister moet proceskosten vergoeden.

Uitspraak

BRS.26.002627
Datum uitspraak: 29 mei 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van onder meer:
[verzoeker],
verzoeker,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 29 april 2026 in zaak nr. NL25.38815 in het geding tussen:
[verzoeker]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 7 augustus 2025 heeft de minister een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen en bepaald dat hij de Europese Unie moet verlaten.
Bij uitspraak van 29 april 2026 heeft de rechtbank het daartegen door verzoeker ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, voor zover dit het terugkeerbesluit betreft, en de minister opgedragen om de uitkomst van zijn beoordeling te delen met de Griekse autoriteiten en te beoordelen wat de reactie hierop betekent voor een eventueel te nemen terugkeerbesluit.
Tegen deze uitspraak hebben de minister en verzoeker hoger beroep ingesteld. Ook heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1.        Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht om de voorlopige voorziening te treffen dat hij niet wordt uitgezet voordat op het hoger beroep is beslist en dat hij opvang en verstrekkingen krijgt.
2.        Gelet op wat is aangevoerd, treft de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening (uitspraak van de Afdeling van 20 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:457).
3.        De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat verzoeker niet wordt uitgezet, totdat op het door hem ingestelde hoger beroep is beslist;
II.        veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij verzoeker in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. J.M. Willems, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. E.E. Pronk, griffier.
w.g. Willems
voorzieningenrechter
w.g. Pronk
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 29 mei 2026
1028