ECLI:NL:RVS:2026:3107
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen uitzetting in asielprocedure
Verzoeker heeft een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend, die door de minister van Asiel en Migratie op 3 februari 2026 is afgewezen. De rechtbank Den Haag heeft op 7 mei 2026 het beroep van verzoeker gegrond verklaard, het besluit van de minister vernietigd, maar de rechtsgevolgen van het besluit in stand gelaten. Verzoeker is tegen deze uitspraak in hoger beroep gegaan en heeft tegelijkertijd een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft op 2 juni 2026 besloten dat verzoeker niet mag worden uitgezet zolang het hoger beroep loopt. Tevens is bepaald dat verzoeker opvang en verstrekkingen krijgt. De minister is veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van verzoeker, die geheel toe te rekenen zijn aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Deze voorlopige voorziening is gebaseerd op de belangenafweging en eerdere jurisprudentie, waarbij het belang van verzoeker om niet uitgezet te worden zwaarder weegt zolang het hoger beroep nog niet is beslist. De uitspraak is in het openbaar gedaan en ondertekend door voorzieningenrechter N. Verheij en griffier M.C.S. Heinen.
Uitkomst: Verzoeker wordt niet uitgezet totdat op het hoger beroep is beslist en de minister moet proceskosten vergoeden.