Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2026:3112

Raad van State

Datum uitspraak
29 mei 2026
Publicatiedatum
1 juni 2026
Zaaknummer
202500892/1/V1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:72 AwbArt. 3.37f VV 2000Art. 30b Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging uitspraak rechtbank inzake afwijzing verblijfsvergunning asiel en inreisverbod

De minister van Asiel en Migratie wees op 22 november 2024 de aanvraag van betrokkene om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd af, legde een vertrektermijn op en vaardigde een inreisverbod uit. De rechtbank verklaarde het beroep van betrokkene gegrond, vernietigde het besluit en wees de aanvraag af als ongegrond, waarbij zij betrokkene een vertrektermijn gaf en het inreisverbod vernietigde.

De minister stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. De Raad van State oordeelde dat de rechtbank ten onrechte zelf in de zaak had voorzien door de aanvraag af te wijzen en de vertrektermijn op te leggen, terwijl de minister de aanvraag ook had afgewezen op grond van het feit dat betrokkene alleen niet-relevante feiten had aangevoerd. De rechtbank had het inreisverbod ten onrechte vernietigd.

De Raad van State bevestigde dat Senegal als veilig land van herkomst was aangemerkt en dat de minister terecht de aanvraag als kennelijk ongegrond kon afwijzen. De uitspraak van de rechtbank werd vernietigd voor zover deze de aanvraag afwees, de vertrektermijn oplegde en het inreisverbod vernietigde. De rechtsgevolgen van het oorspronkelijke besluit van de minister blijven echter in stand, waarmee het besluit feitelijk geldig blijft.

Uitkomst: De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd en het oorspronkelijke besluit van de minister tot afwijzing van de verblijfsvergunning en het inreisverbod blijft in stand.

Uitspraak

202500892/1/V1.
Datum uitspraak: 29 mei 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 6 februari 2025 in zaak nr. NL24.46705 in het geding tussen:
[betrokkene]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 22 november 2024 heeft de minister een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen, betrokkene opgedragen om de Europese Unie onmiddellijk te verlaten en een inreisverbod tegen hem uitgevaardigd.
Bij uitspraak van 6 februari 2025 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, de aanvraag van betrokkene afgewezen als ongegrond, betrokkene opgedragen om binnen vier weken de Europese Unie te verlaten en bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.
Op verzoek van de Afdeling hebben de minister en betrokkene schriftelijk gereageerd op het arrest van het Hof van Justitie van 1 augustus 2025, Alace, ECLI:EU:C:2025:591.
Overwegingen
1.       De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat Senegal in het algemeen en voor betrokkene in het bijzonder een veilig land van herkomst is. De minister heeft Senegal namelijk op grond van artikel 3.37f, vierde lid, aanhef en onder a, van het VV 2000 aangemerkt als een veilig land van herkomst, behalve voor personen die behoren tot de LHBTIQ+-gemeenschap en personen die te maken krijgen met strafrechtelijke vervolging. Betrokkene heeft zich niet op het standpunt gesteld tot een van deze categorieën te behoren. In zijn eerste grief klaagt de minister tevergeefs over het oordeel van de rechtbank dat hij Senegal ten onrechte als veilig land van herkomst heeft aangemerkt. In de uitspraak van 16 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1438, onder 4.1, heeft de Afdeling namelijk overwogen dat het Hof in het arrest Alace voor recht heeft verklaard dat er bij de aanwijzing van een veilig land van herkomst geen categorieën personen uitgezonderd mogen worden. De minister heeft dat in zijn schriftelijke reactie ook onderkend. Uit het voorgaande volgt dat de opgeworpen vraag kan worden beantwoord aan de hand van de rechtspraak van het Hof. Gelet op de arresten van het Hof van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punten 13 en 14, 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punt 36, en 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 36, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen. De grief slaagt niet.
2.       De minister klaagt evenwel in zijn tweede grief terecht dat de rechtbank ten onrechte, door zelf in de zaak te voorzien, de aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, heeft afgewezen als ongegrond. Ook heeft de rechtbank betrokkene ten onrechte opgedragen om binnen vier weken de Europese Unie te verlaten en heeft zij ten onrechte het inreisverbod vernietigd. De minister heeft namelijk de aanvraag niet alleen afgewezen als kennelijk ongegrond, omdat betrokkene afkomstig is uit een veilig land van herkomst (artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000). De rechtbank is eraan voorbijgegaan dat de minister de aanvraag ook heeft afgewezen als kennelijk ongegrond, omdat betrokkene bij de indiening van zijn aanvraag en de toelichting van de feiten alleen aangelegenheden aan de orde heeft gesteld die niet ter zake doen voor het antwoord op de vraag of hij in aanmerking komt voor verlening van een verblijfsvergunning asiel (artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000). Betrokkene heeft dat standpunt van de minister niet betwist. Alleen al daarom slaagt het betoog van de minister. De minister heeft gelet daarop terecht de aanvraag van betrokkene afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000. Ook mocht de minister daarom betrokkene een vertrektermijn onthouden en een inreisverbod tegen hem uitvaardigen. De tweede grief roept geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest Remling, punt 24). De grief slaagt.
3.       Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover de rechtbank de aanvraag van betrokkene heeft afgewezen als ongegrond, betrokkene heeft opgedragen om binnen vier weken de Europese Unie te verlaten en heeft bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Uit een oogpunt van definitieve geschilbeslechting laat de Afdeling de rechtsgevolgen van het door de rechtbank vernietigde besluit in stand (artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb). Dit betekent dat het besluit feitelijk toch blijft gelden. De minister heeft de aanvraag van betrokkene namelijk ook terecht afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep gegrond;
II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 6 februari 2025 in zaak nr. NL24.46705, voor zover de rechtbank de aanvraag van betrokkene heeft afgewezen als ongegrond, betrokkene heeft opgedragen om binnen vier weken de Europese Unie te verlaten en heeft bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 22 november 2024, V-[...];
III.      bevestigt die uitspraak voor het overige;
IV.     bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit in stand blijven.
Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, voorzitter, en mr. N. Verheij en mr. J.Th. Drop, leden, in tegenwoordigheid van mr. L.S. van den Oosterkamp, griffier.
w.g. De Poorter
voorzitter
w.g. Van den Oosterkamp
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 29 mei 2026
941-1078