ECLI:NL:RVS:2026:3151
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek opheffing voorlopige voorziening machtiging tot voorlopig verblijf
Verzoeker heeft een aanvraag ingediend voor een machtiging tot voorlopig verblijf, die op 8 december 2021 door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid is afgewezen. Na bezwaar en beroep heeft de rechtbank op 11 december 2024 het besluit vernietigd en de minister opgedragen binnen twee weken de gevraagde machtiging te verlenen.
De minister stelde hoger beroep in en vroeg om een voorlopige voorziening, die op 12 februari 2025 werd toegewezen, waardoor de minister niet hoefde te voldoen aan de uitspraak van de rechtbank totdat het hoger beroep was beslist. Verzoeker vroeg vervolgens op 7 mei 2026 om opheffing of wijziging van deze voorlopige voorziening, met het argument dat zij en haar minderjarige kinderen in Iran dreigen te worden uitgezet en dat de kinderen daar geen school kunnen volgen.
De voorzieningenrechter oordeelt dat de belangenafweging geen aanleiding geeft om de voorlopige voorziening te wijzigen of op te heffen. Het verzoek wordt daarom afgewezen en de minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het verzoek tot opheffing of wijziging van de voorlopige voorziening wordt afgewezen.