BRS.26.000705
Datum uitspraak: 5 juni 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
appellant
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 5 februari 2026 in zaak nr. NL26.3552 in het geding tussen:
[betrokkene]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 19 januari 2026 heeft de minister betrokkene in bewaring gesteld.
Bij uitspraak van 5 februari 2026 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van die dag bevolen en schadevergoeding toegekend.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.
Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. D.P.J. Grommen, advocaat in Roermond, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
Beoordeling van het hoger beroep
1. De minister klaagt in zijn eerste grief terecht over het oordeel van de rechtbank dat de vragen die de minister tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling aan betrokkene heeft gesteld, niet zijn gericht op de voorwaarden voor inbewaringstelling op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vw 2000. Van belang is dat het proces-verbaal van het gehoor er blijk van geeft dat de minister onderkent dat betrokkene een asielaanvraag heeft ingediend. De minister heeft in het proces-verbaal aangekruist dat betrokkene in bewaring zal worden gesteld op grond van artikel 59b van de Vw 2000 en heeft tijdens het gehoor aan betrokkene gevraagd waarom hij een opvolgende asielaanvraag wil indienen. Verder is van belang dat de minister tijdens het gehoor vragen heeft gesteld aan betrokkene over zijn identiteit en heeft gevraagd of hij in het bezit is van reisdocumenten. Deze vragen zijn van belang voor de vraag of betrokkene op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 in bewaring kan worden gesteld. Vervolgens heeft de minister vragen gesteld over het eerder door hem genomen terugkeerbesluit en de bereidheid van betrokkene om mee te werken aan zijn terugkeer. Deze vragen zijn van belang voor de vraag of er een risico bestaat dat betrokkene zich aan het toezicht zal onttrekken. Deze vragen zijn daarom ook relevant voor de vraag of de minister artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 als wettelijke grondslag voor de maatregel van bewaring mag gebruiken. De Afdeling verwijst hiervoor naar haar uitspraak van 13 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1429, onder 2.1. 1.1. De eerste grief slaagt.
2. In zijn tweede grief klaagt de minister allereerst terecht over het oordeel van de rechtbank dat hij onzorgvuldig heeft gehandeld door meerdere bewaringsmaatregelen in het dossier toe te voegen. De minister heeft namelijk al in zijn brief aan de rechtbank van 2 februari 2026 toegelicht welke maatregel van bewaring de correcte maatregel is, dat hij maar één maatregel heeft uitgereikt aan betrokkene en dat hij die versie naar de gemachtigde van betrokkene heeft gestuurd. Tijdens de zitting bij de rechtbank heeft de minister dit nog een keer toegelicht. De minister heeft hiermee de verwarring over de meerdere bewaringsmaatregelen weggenomen.
2.1. Verder klaagt de minister in zijn tweede grief terecht over het oordeel van de rechtbank dat zijn werkwijze onzorgvuldig is omdat de maatregel van bewaring door een andere ambtenaar is opgelegd dan de ambtenaar die betrokkene voorafgaand aan de inbewaringstelling heeft gehoord. De minister voert terecht aan dat hij de verklaringen zoals vastgelegd in het proces-verbaal van het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling, kenbaar en op zorgvuldige wijze in de maatregel van bewaring heeft betrokken. Zoals de rechtbank ook heeft overwogen, bestaat er voor de minister geen Unierechtelijke of nationaalrechtelijke verplichting om het horen en beslissen door dezelfde ambtenaar te laten geschieden. In paragraaf A5/6.4 van de Vc 2000 staat dat het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling moet worden afgenomen door de ambtenaar bedoeld in artikel 5.3 van het VV 2000. Daarvan is in dit geval sprake geweest. De omstandigheid dat het gehoor door een andere ambtenaar is afgenomen, maakt de voorbereiding van de maatregel niet onzorgvuldig.
2.2. De tweede grief slaagt.
3. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. De Afdeling beoordeelt het beroep. Daarbij bespreekt zij alleen beroepsgronden waarover de rechtbank nog geen oordeel heeft gegeven en waarop na de overwegingen in hoger beroep nog moet worden beslist. Ook toetst zij de rechtmatigheid van de bewaring ambtshalve.
Beoordeling van het beroep
4. Betrokkene betoogt dat de ophouding ten onrechte op een verkeerde grondslag heeft plaatsgevonden, omdat de minister al bekend zou zijn met zijn identiteit, omdat hij met een laissez-passer Nederland is ingereisd. De Afdeling stelt vast dat betrokkene met een laissez-passer Nederland is ingereisd. Betrokkene heeft echter geen identiteitsdocumenten overgelegd. Naar het oordeel van de Afdeling mocht de minister artikel 50, tweede lid, van de Vw 2000 als grondslag gebruiken voor de ophouding. De beroepsgrond slaagt niet.
5. Betrokkene betoogt verder dat de minister de zware gronden 3a, 3b en 3c niet aan de maatregel ten grondslag heeft mogen leggen.
Wat betreft de zware grond 3b heeft de minister terecht vastgesteld dat deze grond op betrokkene van toepassing is door feitelijk toe te lichten dat betrokkene op 15 oktober 2025 een asielaanvraag heeft ingediend in Nederland en op 2 november 2025 met onbekende bestemming is vertrokken.
Wat betreft de zware grond 3c heeft de minister terecht vastgesteld dat deze grond op betrokkene van toepassing is door feitelijk toe te lichten dat hij een terugkeerbesluit heeft genomen, maar dat betrokkene zich niet heeft gehouden aan zijn vertrekplicht.
Gelet op artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000, in samenhang gelezen met artikel 5.1c, tweede lid, van het Vb 2000, kunnen deze twee gronden de maatregel dragen. De zware grond 3a behoeft daarom geen bespreking.
De beroepsgrond slaagt niet.
6. In deze zaak zijn geen vragen aan de orde over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punten 24 en 31). Omdat de Afdeling ook ambtshalve geen reden ziet om de bewaring onrechtmatig te achten, is het beroep alsnog ongegrond. De Afdeling wijst het verzoek om schadevergoeding af. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 5 februari 2026 in zaak nr. NL26.3552;
III. verklaart het beroep ongegrond;
IV. wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, voorzitter, en mr. J.Th. Drop en mr. V.V. Essenburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. L. van Vulpen, griffier.
w.g. Van Breda
voorzitter
w.g. Van Vulpen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 5 juni 2026
644-1073