AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen besluit deken over bemiddeling klacht advocaat
Appellant heeft op grond van artikel 46c van de Advocatenwet klachten ingediend tegen een advocaat, waarna de deken van de Amsterdamse Orde van Advocaten heeft besloten geen minnelijke regeling te beproeven. Appellant verzocht meerdere malen om bemiddeling, maar de deken wees dit af en verwees appellant naar de Raad van Discipline. De klacht werd door de Raad van Discipline niet-ontvankelijk verklaard.
Appellant maakte bezwaar tegen het e-mailbericht van de deken en stelde beroep in tegen het besluit op bezwaar. De rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk omdat appellant het griffierecht niet had betaald. In hoger beroep betoogde appellant dat de rechtbank zijn beroep ten onrechte niet-ontvankelijk had verklaard en dat de beklagfunctie bij de Raad van Discipline niet functioneert, waardoor bestuursrechtelijke rechtsbescherming open zou moeten staan.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt dat het beroep van appellant misbruik van recht betreft, omdat een afwijzing van een verzoek om minnelijke schikking door de deken niet kwalificeert als een voor bezwaar en beroep vatbaar besluit. Appellant is herhaaldelijk gewezen op de juiste procedure via de Raad van Discipline en heeft daar ook daadwerkelijk beklag gedaan. De Afdeling verklaart het hoger beroep ongegrond en bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de niet-ontvankelijkheid van het beroep wordt bevestigd wegens misbruik van recht.
Uitspraak
202401811/1/A2.
Datum uitspraak: 3 juni 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 9 februari 2024 in zaak nr. 23/1693 in het geding tussen:
[appellant]
en
de deken van de Amsterdamse Orde van Advocaten (de deken).
Procesverloop
Bij e-mailbericht van 3 juli 2023 heeft de deken [appellant] medegedeeld dat geen aanleiding bestond om in dit geval een minnelijke regeling te beproeven.
Bij besluit van 17 januari 2024 heeft de deken het bezwaar van [appellant] tegen dat e-mailbericht niet-ontvankelijk verklaard.
Bij uitspraak van 9 februari 2024 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
De deken heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 maart 2026, waar [appellant] en de deken, vertegenwoordigd door mr. S.M. de Waard, via videoverbinding, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. [appellant] heeft op grond van artikel 46c van de Advocatenwet zowel in 2010 als op 5 december 2022 een klacht ingediend tegen een advocaat. De klacht is door de deken in behandeling genomen en behandeld. Op 21 december 2022 en op 16 mei 2023 heeft [appellant] de deken verzocht om bemiddeling. Bij e-mail van 23 mei 2023 heeft de deken [appellant], onder verwijzing naar eerdere berichten, laten weten dat er geen aanleiding bestaat om te bemiddelen in het kader van de afhandeling van de klacht van [appellant]. De deken heeft [appellant] erop gewezen dat hij, indien hij het niet eens is met de visie van de deken, om doorzending van de klacht naar de Raad van Discipline kan vragen. De klacht is ook voorgelegd aan de Raad van Discipline. Op 19 september 2023 heeft de voorzitter van de Raad van Discipline uitspraak gedaan en de klacht niet-ontvankelijk verklaard.
2. Bij e-mailbericht van 3 juli 2023 heeft de deken, naar aanleiding van een e-mail van [appellant] van dezelfde datum, [appellant] laten weten dat al eerder was gereageerd op zijn verzoek om bemiddeling en dat de betreffende klacht al was voorgelegd aan de Raad van Discipline. Tegen dit e-mailbericht heeft [appellant] bezwaar gemaakt en vervolgens beroep ingesteld tegen het besluit op dat bezwaar.
3. De rechtbank heeft het beroep van [appellant] niet-ontvankelijk verklaard, omdat hij het griffierecht niet betaald had.
Hoger beroep
4. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte zijn beroep
niet-ontvankelijk heeft verklaard. Volgens hem had de rechtbank zijn beroep op betalingsonmacht moeten honoreren. Verder betoogt hij dat doordat de beklagfunctie niet functioneert bij de Raad van Discipline het bezwaar en beroep van [appellant] in behandeling dienen te worden genomen. Omdat de deken een publiek bestuursorgaan is, zou tegen haar beschikkingen bestuursrechtelijke rechtsbescherming open moeten staan. Zijn rechtstoegankelijkheid wordt hiermee belemmerd.
Oordeel van de Afdeling
5. In de uitspraken van 22 mei 2024, waaronder ECLI:NL:RVS:2024:2058, heeft de Afdeling de hoger beroepen van [appellant] tegen berichten van dekens van diverse arrondissementen niet-ontvankelijk verklaard, wegens misbruik van het recht om hoger beroep in te stellen. De Afdeling is van oordeel dat de redenen voor dat oordeel ook in deze procedure bestaan. [appellant] weet of wordt geacht te weten dat een afwijzende reactie van de deken over het treffen van een minnelijke schikking bij een klacht over een advocaat als bedoeld in artikel 46d van de Advocatenwet, niet kan worden gekwalificeerd als een voor bezwaar en beroep vatbaar besluit in de zin van artikel 1:3 vanPro de Algemene wet bestuursrecht. [appellant] is er meermaals op gewezen dat hij geen bezwaar kan maken tegen een standpunt van de deken hierover. Bij een afwijzing van een dergelijk verzoek geldt de beklagprocedure van de Raad van Discipline. Daarover heeft de deken hem ook bij meerdere brieven bericht. Bovendien heeft [appellant] ook daadwerkelijk beklag gedaan bij de Raad van Discipline, zodat kan worden aangenomen dat hij ervan op de hoogte is bij welke instantie hij welke rechtsmiddelen kan aanwenden tegen de betreffende berichten van de deken. Gelet hierop wordt hij geacht te weten dat de door hem ingestelde procedure evident geen kans van slagen heeft. Ook in drie procedures die hebben geleid tot de uitspraken van vandaag, ECLI:NL:RVS:2026:3103, ECLI:NL:RVS:2026:3104 en ECLI:NL:RVS:2026:3105, heeft [appellant] dergelijke verzoeken gedaan en bezwaar gemaakt tegen berichten van de deken, terwijl hij geacht moet worden te weten dat dit niet de weg is die hij moet bewandelen om zijn beklag dienaangaande te doen. De Afdeling heeft in die uitspraken de desbetreffende rechtbankuitspraken, waarin misbruik van recht was aangenomen, bevestigd. Naar het oordeel van de Afdeling heeft [appellant] in deze procedure ook misbruik gemaakt van het recht om beroep in te stellen en is zijn beroep daarom niet-ontvankelijk. Dit betekent dat de rechtbank het beroep terecht, zij het om een andere reden, niet-ontvankelijk heeft verklaard. Daarom zal de Afdeling het hoger beroep ongegrond verklaren.
Conclusie
6. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt met verbetering van gronden bevestigd.
7. De deken hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, voorzitter, en mr. J. Hoekstra en mr. G.T.J.M. Jurgens, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Yildiz, griffier.