ECLI:NL:RVS:2026:3199
Raad van State
- Hoger beroep
- C.J. Borman
- J. Hoekstra
- G.T.J.M. Jurgens
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen besluit deken over bemiddeling klacht advocaat
Appellant heeft op grond van artikel 46c van de Advocatenwet klachten ingediend tegen een advocaat, waarna de deken van de Amsterdamse Orde van Advocaten heeft besloten geen minnelijke regeling te beproeven. Appellant verzocht meerdere malen om bemiddeling, maar de deken wees dit af en verwees appellant naar de Raad van Discipline. De klacht werd door de Raad van Discipline niet-ontvankelijk verklaard.
Appellant maakte bezwaar tegen het e-mailbericht van de deken en stelde beroep in tegen het besluit op bezwaar. De rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk omdat appellant het griffierecht niet had betaald. In hoger beroep betoogde appellant dat de rechtbank zijn beroep ten onrechte niet-ontvankelijk had verklaard en dat de beklagfunctie bij de Raad van Discipline niet functioneert, waardoor bestuursrechtelijke rechtsbescherming open zou moeten staan.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt dat het beroep van appellant misbruik van recht betreft, omdat een afwijzing van een verzoek om minnelijke schikking door de deken niet kwalificeert als een voor bezwaar en beroep vatbaar besluit. Appellant is herhaaldelijk gewezen op de juiste procedure via de Raad van Discipline en heeft daar ook daadwerkelijk beklag gedaan. De Afdeling verklaart het hoger beroep ongegrond en bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de niet-ontvankelijkheid van het beroep wordt bevestigd wegens misbruik van recht.