Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2026:3224

Raad van State

Datum uitspraak
5 juni 2026
Publicatiedatum
3 juni 2026
Zaaknummer
BRS.26.001214
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vw 2000Art. 8:54 AwbArt. 4 EU HandvestArt. 19, tweede lid, EU Handvest
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging onrechtmatigheid bewaring wegens onvoldoende motivering non-refoulement bij uitzetting

De minister van Asiel en Migratie stelde betrokkene op 18 februari 2026 in bewaring met het oog op uitzetting naar Libië, uitgaande van diens vermeende Libische nationaliteit. De rechtbank verklaarde het beroep van betrokkene gegrond en oordeelde dat de minister onvoldoende had gemotiveerd dat het non-refoulementbeginsel zich niet verzet tegen uitzetting naar Marokko, waar betrokkene volgens eigen verklaring vandaan komt.

De minister stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog dat het terugkeerbesluit een vereiste is voor bewaring en dat de minister bij het opleggen van de maatregel actief en concreet had moeten onderzoeken of het non-refoulementbeginsel zich verzet tegen uitzetting naar Libië. De motivering van de minister voldeed niet, omdat deze niet expliciet aangaf dat er geen reëel risico op onmenselijke behandeling bestaat en onvoldoende rekening hield met de verklaringen van betrokkene.

De Afdeling verwierp de grief van de minister en bevestigde dat de maatregel van bewaring vanaf het begin onrechtmatig was. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd met verbetering van gronden. De minister werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van betrokkene.

Uitkomst: De Afdeling bevestigt dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is en wijst het hoger beroep van de minister af.

Uitspraak

BRS.26.001214
Datum uitspraak: 5 juni 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 6 maart 2026 in zaak nr. NL26.9188 in het geding tussen:
[betrokkene]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 18 februari 2026 heeft de minister betrokkene in bewaring gesteld.
Bij uitspraak van 6 maart 2026 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van die dag bevolen en schadevergoeding toegekend.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.
Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. R.C. van den Berg, advocaat in Tilburg, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
De feiten
1.        De minister heeft betrokkene in bewaring gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000. Bij het opleggen van de maatregel van bewaring is de minister ervan uitgegaan dat betrokkene de Libische nationaliteit heeft. Het terugkeerbesluit dat de minister ten grondslag heeft gelegd aan de maatregel van bewaring is daarom gericht op Libië.
Het oordeel van de rechtbank
2.        De rechtbank heeft geoordeeld dat de minister in de maatregel van bewaring had moeten motiveren dat het beginsel van non-refoulement zich ook niet verzet tegen de uitzetting van betrokkene naar Marokko. Daardoor is de maatregel onrechtmatig vanaf het moment van opleggen. De rechtbank heeft verwezen naar de uitspraak van de Afdeling van 12 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:329, waaruit onder meer volgt dat de bewaringsrechter moet beoordelen of de minister voorafgaand aan het opleggen van de maatregel van bewaring heeft beoordeeld of het beginsel van non-refoulement zich al dan niet tegen de uitzetting van de vreemdeling verzet. De rechtbank heeft overwogen dat de minister zich bij zijn beoordeling ten onrechte geen rekenschap heeft gegeven van de verklaringen van betrokkene tijdens het gehoor voorafgaand aan de bewaring, toen betrokkene heeft verklaard dat hij niet uit Libië komt, maar uit Marokko, en dat hij niet wil terugkeren naar Marokko.
Het hoger beroep en het oordeel van de Afdeling
3.        De minister klaagt in zijn enige grief terecht over het oordeel van de rechtbank dat hij zich in de maatregel van bewaring rekenschap had moeten geven van de verklaringen van betrokkene over Marokko. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 12 februari 2026, onder 11, is het terugkeerbesluit een vereiste voor het opleggen van een maatregel van bewaring met het oog op uitzetting. De minister voert in dat kader terecht aan dat een inbewaringstelling van een vreemdeling plaatsvindt met het oog op diens verwijdering ter uitvoering van het terugkeerbesluit. Omdat het terugkeerbesluit dat de minister ten grondslag heeft gelegd aan de maatregel gericht was op Libië, moest hij bij het opleggen van de maatregel van bewaring beoordelen of het beginsel van non-refoulement zich verzette tegen de uitzetting van betrokkene naar Libië.
3.1.        De klacht is terecht voorgedragen, maar leidt niet tot het slagen van de grief. De minister voert namelijk tevergeefs aan dat hij voldoende heeft onderzocht of het beginsel van non-refoulement zich verzet tegen de uitzetting van betrokkene naar Libië. Dit licht de Afdeling hierna toe.
3.2.        Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 12 februari 2026, onder 7.2 en 7.3, moet de minister een vreemdeling in het gehoor voorafgaand aan de bewaring actief concrete vragen stellen om binnen het kader van het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn te onderzoeken en te kunnen beoordelen of het beginsel van non-refoulement zich tegen zijn of haar uitzetting verzet. Het resultaat van het onderzoek en van de zorgvuldige voorbereiding moet blijken uit de motivering van de maatregel van bewaring. Daarvan is in dit geval geen sprake.
3.3.        De Afdeling stelt voorop dat de minister erkent dat hij in de maatregel van bewaring niet uitdrukkelijk heeft gemotiveerd dat er geen gronden bestaan om aan te nemen dat betrokkene in Libië een reëel risico zal lopen op een onmenselijke en vernederende behandeling in de zin van artikel 4 en Pro artikel 19, tweede lid, van het EU Handvest. De minister voert vervolgens tevergeefs aan dat de beoordeling van het beginsel van non-refoulement besloten ligt in zijn motivering bij de zware grond 3i. De minister verwijst ter vergelijking naar de uitspraak van de Afdeling van 12 februari 2026, onder 15.1. Maar anders dan in die uitspraak, kan in dit geval niet op grond van de bewoordingen van de motivering in de maatregel worden aangenomen dat de beoordeling van het beginsel van non-refoulement daarin besloten ligt en voldoende kenbaar is. Bij de zware grond 3i heeft de minister over Libië alleen toegelicht dat betrokkene tijdens het gehoor voorafgaand aan de bewaring heeft verklaard dat hij niet vrijwillig wil terugkeren naar Libië, maar dat hij wel zijn medewerking zal verlenen aan de uitzetting. Dat betrokkene zou hebben verklaard medewerking te verlenen, volgt echter niet uit het verslag van het gehoor voorafgaand aan de bewaring. Daarbij komt dat die verklaring haaks staat op de verklaring van betrokkene dat hij niet vrijwillig wil terugkeren naar Libië. Anders dan de minister aanvoert, volgt uit deze motivering dan ook geen kenbare beoordeling van het beginsel van non-refoulement. Die volgt ook niet op een andere wijze uit de maatregel.
3.4.        De minister voert verder ten onrechte aan dat hij tijdens het gehoor voorafgaand aan de bewaring aan betrokkene heeft gevraagd of er redenen zijn dat hij niet naar Libië kan terugkeren. Uit het verslag van dat gehoor volgt alleen dat de minister heeft gevraagd aan betrokkene of hij vrijwillig wenst terug te keren naar Libië. Op deze vraag heeft betrokkene geantwoord dat hij niets te maken heeft met Libië en Marokkaans is. De minister voert tevergeefs aan dat het door betrokkene gegeven antwoord geen aanleiding gaf om betrokkene daarover nader te bevragen. De minister moet immers juist actief concrete vragen stellen om te onderzoeken en te kunnen beoordelen of het beginsel van non-refoulement zich tegen de uitzetting verzet. Daarbij komt dat de minister wel aan betrokkene heeft gevraagd waarom hij niet wenst terug te keren naar Marokko. Dit terwijl het terugkeerbesluit dat tijdens het opleggen ten grondslag lag aan de maatregel van bewaring, niet gericht was op Marokko.
3.5.        Tot slot voert de minister nog aan dat uit de verklaring van betrokkene tijdens het gehoor voorafgaand aan de bewaring dat hij niets te maken heeft met Libië, niet volgt dat betrokkene bij terugkeer naar Libië een reëel risico loopt op een onmenselijke en vernederende behandeling. Deze nadere motivering van de minister kan niet tot een ander oordeel leiden. De minister mag de voor inbewaringstelling van een vreemdeling vereiste motivering namelijk niet pas na het opleggen van de maatregel van bewaring kenbaar maken. De Afdeling verwijst hiervoor naar haar uitspraak van 13 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1667, onder 7.
3.6.        Gelet hierop, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de minister in de maatregel van bewaring niet heeft gemotiveerd dat het beginsel van non-refoulement zich niet verzet tegen de uitzetting van betrokkene. De maatregel van bewaring is daarom vanaf het begin onrechtmatig. De Afdeling verwijst hiervoor naar haar uitspraak van 12 februari 2026, onder 10.
3.7.        De grief faalt.
4.        In deze zaak zijn geen vragen aan de orde over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punten 24 en 31).
5.        Omdat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de maatregel vanaf het begin onrechtmatig is, bestaat voor ambtshalve toetsing door de Afdeling geen aanleiding. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank met verbetering van gronden. De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        bevestigt de aangevallen uitspraak;
II.        veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij betrokkene in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, voorzitter, en mr. M. den Heyer en mr. M.C. Stoové, leden, in tegenwoordigheid van mr. L. van Vulpen, griffier.
w.g. Van Breda
voorzitter
w.g. Van Vulpen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 5 juni 2026
1073