ECLI:NL:RVS:2026:325
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen intrekking tijdelijke beschermingsstatus en uitzettingsbevel
Op 11 april 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid besloten dat appellant vanaf 5 maart 2024 geen recht meer heeft op bescherming op grond van de Richtlijn tijdelijke bescherming en het Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382. Tevens is appellant opgedragen de Europese Unie binnen vier weken te verlaten.
Appellant heeft tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank Den Haag, die op 23 december 2025 het beroep ongegrond verklaarde. Hiertegen is hoger beroep ingesteld bij de Raad van State. Tevens verzocht appellant de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen, zodat hij niet wordt uitgezet voordat op het hoger beroep is beslist en om gemeentelijke opvang te verkrijgen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek beoordeeld en geoordeeld dat niet aannemelijk is dat de uitspraak van de rechtbank zal worden vernietigd. Gezien de belangen van zowel appellant als de minister is besloten geen voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek is derhalve afgewezen en de minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de intrekking van de tijdelijke beschermingsstatus en het uitzettingsbevel wordt afgewezen.