ECLI:NL:RBDHA:2025:25135
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen beëindiging tijdelijke bescherming derdelander Oekraïne
Eiser, een Marokkaanse nationaliteithebbende derdelander die rechtmatig verbleef in Oekraïne, ontving tijdelijke bescherming na zijn vlucht naar Nederland vanwege de inval in Oekraïne. Verweerder besloot op 11 april 2024 de tijdelijke bescherming per 5 maart 2024 te beëindigen, waarna eiser binnen vier weken moest terugkeren naar Marokko.
Eiser stelde dat dit besluit in strijd was met het vertrouwensbeginsel en het gelijkheidsbeginsel, en dat het besluit geen terugkeerdestination vermeldde. De rechtbank verwees naar prejudiciële uitspraken van het HvJ EU en de Afdeling bestuursrechtspraak die bevestigen dat tijdelijke bescherming van derdelanders Oekraïne eerder mag eindigen dan die van Oekraïners, mits niet voor 4 maart 2024.
De rechtbank oordeelde dat het aangevulde besluit rechtsgeldig is, het gelijkheidsbeginsel niet is geschonden omdat de situatie van Oekraïners en derdelanders verschillend is, en het vertrouwensbeginsel niet van toepassing is omdat de bevriezingsmaatregel slechts een feitelijke opschorting betrof zonder toezeggingen. Ook is geen strijd met het non-refoulementbeginsel vastgesteld.
Daarom verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en handhaafde het terugkeerbesluit. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de beëindiging van de tijdelijke bescherming is ongegrond verklaard en het terugkeerbesluit blijft in stand.