ECLI:NL:RVS:2026:327

Raad van State

Datum uitspraak
21 januari 2026
Publicatiedatum
21 januari 2026
Zaaknummer
202500137/1/V2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake verblijfsvergunning asiel en beoordeling van geboortedatum

In deze zaak gaat het om het hoger beroep van een appellant tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, die op 11 december 2024 een eerder besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, heeft vernietigd. De rechtbank oordeelde dat de rechtsgevolgen van het besluit in stand blijven. De appellant, vertegenwoordigd door mr. R.C. van den Berg, heeft hoger beroep ingesteld, waarbij de vraag centraal staat of de minister van Asiel en Migratie terecht is uitgegaan van de geboortedatum 1 juni 2002, zoals geregistreerd in Griekenland.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in haar uitspraak van 21 januari 2026 geoordeeld dat de leeftijdsschouwen die door de AVIM en de IND zijn verricht, onvoldoende zorgvuldig en inzichtelijk zijn. De medewerkers van AVIM concludeerden dat er twijfel bestond over de opgegeven leeftijd van de appellant, maar de Afdeling stelde vast dat er geen duidelijke verbinding was tussen de observaties en de conclusies die de medewerkers trokken. De rechtbank had niet onderkend dat de minister de leeftijdsschouwen niet mocht betrekken bij haar standpunt over de leeftijd van de appellant.

De Afdeling bevestigde echter dat de minister met het oog op zorgvuldige besluitvorming nader onderzoek mocht doen naar de leeftijd van de appellant. De Griekse autoriteiten bevestigden dat de appellant geregistreerd staat met de geboortedatum 1 juni 2002. De Afdeling oordeelde dat de minister deugdelijk had gemotiveerd waarom zij gewicht toekent aan deze leeftijdsregistratie, en dat de appellant niet aannemelijk had gemaakt dat deze registratie onjuist was. De rechtbank had terecht overwogen dat de minister het vermoeden van minderjarigheid had ontzenuwd en dat de minister terecht was uitgegaan van de geboortedatum 1 juni 2002. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd.

Uitspraak

202500137/1/V2.
Datum uitspraak: 21 januari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 11 december 2024 in zaak nr. NL24.20066 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 11 april 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van appellant om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, ingewilligd.
Bij uitspraak van 11 december 2024 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen daarvan geheel in stand blijven.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. R.C. van den Berg, advocaat in Tilburg, hoger beroep ingesteld.
Appellant heeft nadere stukken ingediend.
Overwegingen
Inleiding
1.1.    Deze uitspraak gaat over de leeftijdsschouwen die door AVIM en de IND zijn verricht en de vraag of de minister terecht is uitgegaan van de geboortedatum 1 juni 2002.
Grief 1 - het in stand laten van de rechtsgevolgen
Grief 2 - de beoordeling van de leeftijd
3.1.    In de uitspraak van 20 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3801, onder 10, heeft de Afdeling overwogen dat in het algemeen de leeftijdsschouw zorgvuldig is en het beleid daarover redelijk is. Om in een individuele zaak tot een zorgvuldige schouw te komen, is het vervolgens van belang dat de verslaglegging zorgvuldig gebeurt en alle observaties tijdens het gehoor, bestaande uit uiterlijke kenmerken, verklaringen en gedragingen, in het verslag worden beschreven. De conclusies van de schouw moeten worden verbonden aan deze observaties. Alleen dan is een schouw voldoende zorgvuldig, inzichtelijk en concludent. De Afdeling heeft in die uitspraak, onder 12.2, ook overwogen dat, als een van de leeftijdsschouwen niet inzichtelijk en concludent is, de leeftijdsschouw in die zaak geen bruikbaar middel is om uitspraken te doen over de vraag of al dan niet twijfel bestaat over de verklaring van een vreemdeling dat hij minderjarig is. De Afdeling heeft verder onder 12.2 overwogen dat de minister in dat geval moet uitgaan van de presumptie van minderjarigheid en dat het aan haar is om die te ontzenuwen.
3.2.    Drie medewerkers van de AVIM hebben appellant geschouwd. In het proces-verbaal van verhoor hebben de medewerkers het volgende genoteerd: "Uiterlijk en gedrag komt overeen met de opgegeven leeftijd, maar ze zou ook ouder kunnen zijn dan 16 jaar. Ze is meewerkend maar geeft soms wel vage antwoorden op de vragen." Hieruit concluderen de medewerkers unaniem dat er twijfel bestaat over de opgegeven leeftijd.
3.3.    Eén medewerker van de IND heeft appellant geschouwd. In het verslag van het aanmeldgehoor worden eerst enkele lichamelijke kenmerken van appellant benoemd. Daar staat dat betrokkene geen opvallende rimpels om haar ogen heeft, geen duidelijk zichtbare groeven rond haar mondhoeken, geen acne heeft en een hoofddoek draagt. Over het gedrag merkt de medewerker op dat appellant niet geconcentreerd en onrustig lijkt te zijn, maar wel aandacht heeft voor vragen en vriendelijk is. Tot slot wijst de medewerker op enkele verklaringen van appellant. Zij heeft verklaard dat zij geen identificerende documenten heeft, nooit naar school is geweest of heeft gewerkt, thuis les kreeg van haar vader en het huishouden deed. Hieruit concludeert de medewerker van de IND dat er twijfel bestaat over de opgegeven leeftijd.
3.4.    Naar het oordeel van de Afdeling zijn beide schouwen in deze zaak onvoldoende zorgvuldig, inzichtelijk en concludent. In beide schouwen ontbreekt een verbinding tussen de observaties en de conclusies die de medewerkers daaruit trekken. De Afdeling kan uit de stukken niet opmaken hoe de gedragingen en verklaringen van appellant hebben bijgedragen aan de conclusie dat twijfel bestaat over de door haar opgegeven leeftijd. Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank niet onderkend dat de minister de leeftijdsschouwen niet mocht betrekken bij haar standpunt dat twijfel bestaat over de leeftijd die appellant heeft opgegeven.
3.5.    Hoewel deze klacht terecht is voorgedragen, leidt de grief niet tot het daarmee beoogde doel. Het voorgaande neemt namelijk niet weg dat de minister met het oog op zorgvuldige besluitvorming nader onderzoek mocht doen naar de leeftijd van appellant. Zie de uitspraak van de Afdeling van 20 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3991, onder 3.3. In dit geval heeft de minister nader onderzoek gedaan in Griekenland. De Griekse autoriteiten hebben daarbij bevestigd dat appellant geregistreerd staat met de geboortedatum 1 juni 2002.
3.6.    In de uitspraak van 9 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3992, onder 6.9, heeft de Afdeling overwogen dat de minister niet op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan van de juistheid van een leeftijdsregistratie in een andere lidstaat. Dit betekent niet, zo staat in die uitspraak, dat geen gewicht toekomt aan een leeftijdsregistratie in een andere lidstaat bij de beoordeling van de leeftijd van een vreemdeling. De minister moet de leeftijd van een vreemdeling en de bewijswaarde van een leeftijdsregistratie beoordelen met toepassing van het nationale bestuursrechtelijke bewijsrecht, met inachtneming van wat daarover aanvullend in het Unierecht is bepaald. Het is daarbij aan de betrokken vreemdeling om zijn identiteit, waaronder zijn geboortedatum, aannemelijk te maken. Als de minister twijfels heeft over de minderjarigheid van de betrokken vreemdeling, dan geldt als vertrekpunt de presumptie van minderjarigheid. De minister moet dan uitgaan van het vermoeden dat de betrokken vreemdeling minderjarig is. Het is dan aan de minister om dat vermoeden te ontzenuwen. De minister zal steeds alle feiten en omstandigheden moeten meewegen bij het beoordelen van de leeftijd van een vreemdeling die stelt minderjarig te zijn. Daarbij moet de minister ook eventuele overgelegde bewijsmiddelen betrekken.
3.7.    Appellant betoogt in deze zaak tevergeefs dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de minister deugdelijk heeft gemotiveerd waarom zij doorslaggevend gewicht toekent aan de leeftijdsregistratie in Griekenland. Anders dan appellant stelt, is de minister namelijk ingegaan op haar verklaringen dat aan de leeftijdsregistratie in Griekenland geen gewicht toekomt, omdat zij bij het eerste contact met de Griekse autoriteiten in een ziekenhuis op Kos lag en daar geen tolk aanwezig was. Daarbij heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat dit op zichzelf geen voldoende plausibele uitleg is waarom appellant in Nederland een geboortedatum heeft opgegeven die afwijkt van die in Griekenland is geregistreerd. Deze afwijkende verklaringen van appellant doen afbreuk aan de geloofwaardigheid van de door appellant in Nederland opgegeven geboortedatum. Appellant heeft bovendien niet inzichtelijk gemaakt hoe de Griekse autoriteiten aan de geboortedatum 1 juni 2002 zijn gekomen. De Afdeling wijst er in dit verband op dat appellant niet heeft betwist dat haar naam in Griekenland wel overwegend juist is geregistreerd. Nu appellant verder heeft verklaard dat zij bij haar inreis en registratie in Griekenland niet over enig document beschikte, kan uit de naamregistratie worden afgeleid dat er tussen haar en de Griekse autoriteiten in zekere mate communicatie over haar persoonsgegevens mogelijk is geweest. De rechtbank wijst er in dat verband ook op dat appellant minstens twee keer contact heeft gehad met de Griekse autoriteiten en dat zij voldoende tijd heeft gehad om de gestelde onjuiste registratie na het eerste contact aan te laten passen. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit voor haar niet mogelijk was. Er zijn dus geen aanknopingspunten dat de in Griekenland geregistreerde geboortedatum onjuist zou zijn. De rechtbank heeft verder terecht overwogen dat appellant geen pogingen heeft ondernomen om zelf aan documenten over haar geboortedatum te komen, terwijl zij bijvoorbeeld wel contact had kunnen opnemen met haar nog in Somalië verblijvende, en haar steunende, familieleden en de diplomatieke vertegenwoordiging van Somalië in Brussel. De rechtbank heeft daarom terecht overwogen dat de minister het vermoeden dat appellant minderjarig is, heeft ontzenuwd en terecht is uitgegaan van de geboortedatum 1 juni 2002.
3.8.    De tweede grief slaagt niet.
Conclusie
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, voorzitter, en mr. A. Kuijer en mr. J.J.W.P. van Gastel, leden, in tegenwoordigheid van mr. T. Toonen, griffier.
w.g. De Poorter
voorzitter
w.g. Toonen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 21 januari 2026
986