ECLI:NL:RVS:2026:3301
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- N.H. van den Biggelaar
- Rechtspraak.nl
Schorsing last onder dwangsom herbeplantingsplicht perceel in afwachting hoger beroep
Het college van gedeputeerde staten van Drenthe legde op 16 september 2024 een last onder dwangsom op aan verzoeker wegens het niet voldoen aan een herbeplantingsplicht op zijn perceel in Borger. Na bezwaar wijzigde het college de last en dwangsom, met verlengde begunstigingstermijnen tot 17 juni 2026. De rechtbank verklaarde het beroep van verzoeker tegen het besluit van 25 maart 2025 ongegrond, waarna verzoeker hoger beroep instelde bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Verzoeker vroeg de voorzieningenrechter om schorsing van de last onder dwangsom totdat het hoger beroep is beslist, omdat herbeplanting een grote investering is en vrijwel onomkeerbaar. Het college stelde dat het perceel ecologische en landschappelijke waarden aantast en dat herstel alleen door herbeplanting mogelijk is, waarbij vertraging het herstel schaadt.
De voorzieningenrechter maakte een belangenafweging en oordeelde dat het belang van verzoeker bij het niet hoeven uitvoeren van de herbeplanting in afwachting van de bodemprocedure zwaarder weegt dan het algemene belang van het college bij handhaving. Daarbij speelde mee dat de begunstigingstermijn eindigt in juni 2026, buiten het plantseizoen, waardoor herbeplanting extra kosten en risico's met zich meebrengt. De schorsing betekent niet dat het hoger beroep kansloos is; verzoeker moet rekening houden met een mogelijk negatief oordeel.
De voorzieningenrechter besloot daarom de last onder dwangsom te schorsen en veroordeelde het college tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht van verzoeker.
Uitkomst: De last onder dwangsom is geschorst in afwachting van het hoger beroep, en het college is veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.