ECLI:NL:RVS:2026:3309
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- J.Th. Drop
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen uitvoering uitspraak rechtbank inzake machtiging voorlopig verblijf
De minister van Asiel en Migratie wees op 11 februari 2025 een aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf af. Na een bezwaarprocedure verklaarde de minister het bezwaar ongegrond. De rechtbank Den Haag oordeelde op 29 april 2026 dat het besluit van de minister onrechtmatig was en vernietigde dit, met de opdracht aan de minister om binnen acht weken een nieuw besluit te nemen.
De minister stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en verzocht om een voorlopige voorziening om uitvoering van de uitspraak van de rechtbank op te schorten. De voorzieningenrechter overwoog dat het hoger beroep nader onderzoek vereist, mede vanwege een prejudiciële vraag over het inburgeringsvereiste bij gezinshereniging.
Daarom werd de voorlopige voorziening getroffen dat de minister de uitspraak van de rechtbank niet hoeft uit te voeren totdat de Afdeling op het hoger beroep heeft beslist. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak werd gedaan op 11 juni 2026.
Uitkomst: De minister hoeft de uitspraak van de rechtbank niet uit te voeren totdat het hoger beroep is beslist.