ECLI:NL:RVS:2026:3321

Raad van State

Datum uitspraak
12 juni 2026
Publicatiedatum
10 juni 2026
Zaaknummer
BRS.26.002518
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen uitzetting na afwijzing verblijfsvergunning asiel

Verzoeker heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid op 24 mei 2024 is afgewezen met de verplichting om binnen vier weken de Europese Unie te verlaten.

De rechtbank Den Haag heeft op 29 april 2026 het beroep van verzoeker gegrond verklaard en het besluit vernietigd, maar de rechtsgevolgen met betrekking tot de afwijzing van de asielaanvraag in stand gelaten. Tevens werd de minister opgedragen de beoordeling te delen met de Griekse autoriteiten en de gevolgen daarvan te beoordelen.

Verzoeker en de minister hebben hoger beroep ingesteld. Verzoeker heeft daarnaast een voorlopige voorziening gevraagd om uitzetting te voorkomen en opvang en verstrekkingen te verkrijgen. De voorzieningenrechter heeft dit verzoek toegewezen, waardoor verzoeker niet wordt uitgezet totdat het hoger beroep is beslist. Tevens is de minister veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van € 934,00.

Uitkomst: Verzoeker wordt niet uitgezet totdat het hoger beroep is beslist en de minister moet proceskosten vergoeden.

Uitspraak

BRS.26.002518
Datum uitspraak: 12 juni 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van onder meer:
[verzoeker],
verzoeker,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 29 april 2026 in zaak nr. NL24.25082 in het geding tussen:
[verzoeker]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 24 mei 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen en bepaald dat hij binnen vier weken de Europese Unie moet verlaten.
Bij uitspraak van 29 april 2026 heeft de rechtbank het daartegen door verzoeker ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit voor zover die gaan over de afwijzing van de asielaanvraag in stand blijven en de minister opgedragen om de uitkomst van zijn beoordeling te delen met de Griekse autoriteiten en te beoordelen wat de reactie hierop betekent voor een eventueel te nemen terugkeerbesluit.
Tegen deze uitspraak hebben de minister en verzoeker, vertegenwoordigd door mr. S.R. Kwee, advocaat in Rotterdam, hoger beroep ingesteld. Ook heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1.        Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht om de voorlopige voorziening te treffen dat hij niet wordt uitgezet voordat op het hoger beroep is beslist en dat hij opvang en verstrekkingen krijgt.
2.        Gelet op wat is aangevoerd, treft de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening (uitspraak van de Afdeling van 20 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:457).
3.        De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat verzoeker niet wordt uitgezet, totdat op het door hem ingestelde hoger beroep is beslist;
II.        veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij verzoeker in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. D.A. Verburg, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. A.M.L. Hanrath, griffier.
w.g. Verburg
voorzieningenrechter
w.g. Hanrath
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 12 juni 2026
392