ECLI:NL:RVS:2026:3321
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen uitzetting na afwijzing verblijfsvergunning asiel
Verzoeker heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid op 24 mei 2024 is afgewezen met de verplichting om binnen vier weken de Europese Unie te verlaten.
De rechtbank Den Haag heeft op 29 april 2026 het beroep van verzoeker gegrond verklaard en het besluit vernietigd, maar de rechtsgevolgen met betrekking tot de afwijzing van de asielaanvraag in stand gelaten. Tevens werd de minister opgedragen de beoordeling te delen met de Griekse autoriteiten en de gevolgen daarvan te beoordelen.
Verzoeker en de minister hebben hoger beroep ingesteld. Verzoeker heeft daarnaast een voorlopige voorziening gevraagd om uitzetting te voorkomen en opvang en verstrekkingen te verkrijgen. De voorzieningenrechter heeft dit verzoek toegewezen, waardoor verzoeker niet wordt uitgezet totdat het hoger beroep is beslist. Tevens is de minister veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van € 934,00.
Uitkomst: Verzoeker wordt niet uitgezet totdat het hoger beroep is beslist en de minister moet proceskosten vergoeden.