ECLI:NL:RVS:2026:3391
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen uitzetting en voor opvang bij afgewezen asielaanvragen
Verzoekers hebben op 26 juli 2024 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid is afgewezen. De rechtbank verklaarde op 7 mei 2026 het beroep van verzoekers ongegrond. Verzoekers stelden hiertegen hoger beroep in en verzochten de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter overweegt dat verzoekers niet worden uitgezet totdat op het hoger beroep is beslist en dat zij recht hebben op opvang en verstrekkingen. Tevens wordt de minister van Asiel en Migratie veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van verzoekers, bestaande uit kosten voor beroepsmatige rechtsbijstand.
De uitspraak is gedaan op 15 juni 2026 door voorzieningenrechter B. Meijer, die de voorlopige voorziening toewijst en de minister verplicht tot kostenvergoeding.
Uitkomst: Verzoekers worden niet uitgezet en krijgen opvang en verstrekkingen totdat het hoger beroep is beslist; minister moet proceskosten vergoeden.