ECLI:NL:RVS:2026:34
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging uitspraak rechtbank over niet tijdig besluit gezinsmachtiging verblijf
Betrokkene heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag om zijn gezinsleden een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen. De rechtbank Den Haag heeft dit beroep gegrond verklaard en het niet tijdig nemen van een besluit gelijkgesteld aan een besluit dat vernietigd werd. De rechtbank bepaalde tevens termijnen waarbinnen de minister alsnog een besluit moest nemen en legde een dwangsom op voor overschrijding.
De minister van Asiel en Migratie stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling oordeelde dat het hoger beroep geen nieuwe rechtsvragen bevat die in het belang van rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming beantwoord moeten worden, mede omdat de kwestie reeds eerder door de Afdeling was beantwoord.
Daarom verklaarde de Afdeling het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Tevens werd de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van betrokkene en werd een griffierecht opgelegd. De uitspraak werd gedaan door een enkelvoudige kamer op 7 januari 2026.
Uitkomst: Het hoger beroep van de minister wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.