ECLI:NL:RVS:2026:3427
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit afwijzing verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd
Appellant heeft bij besluit van 8 februari 2024 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, welke door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid is afgewezen. Tegen dit besluit maakte appellant bezwaar, dat bij besluit van 21 augustus 2024 ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde appellant beroep in bij de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, die op 21 november 2025 het beroep ongegrond verklaarde.
Appellant stelde hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De kern van het geschil betrof de vraag of appellant zich in een stabiele en bestendige arbeidsmarktpositie bevond en daarmee onbetwist verblijfsrecht had. De Afdeling oordeelde dat de minister ten onrechte had aangenomen dat appellant geen legale arbeid had verricht, terwijl appellant minimaal een jaar reële arbeid bij dezelfde werkgever had verricht onder tijdelijke beschermingsstatus.
De Afdeling vernietigde de uitspraak van de rechtbank en het besluit van 21 augustus 2024, verklaarde het hoger beroep gegrond en veroordeelde de minister tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht. De verdere aangevoerde grieven behoefden geen bespreking meer.
Uitkomst: Het hoger beroep is gegrond verklaard, het besluit tot afwijzing van de verblijfsvergunning is vernietigd en de minister is veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.