ECLI:NL:RVS:2026:3553
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen uitzetting in asielprocedure
Verzoeker heeft bij de minister van Asiel en Migratie een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke op 17 september 2025 is afgewezen. Hiertegen heeft verzoeker beroep ingesteld bij de rechtbank Den Haag, die op 22 mei 2026 het beroep ongegrond verklaarde. Verzoeker stelde vervolgens hoger beroep in bij de Raad van State en verzocht om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft op 22 juni 2026 besloten om de voorlopige voorziening toe te wijzen. Dit betekent dat verzoeker niet wordt uitgezet totdat het hoger beroep is beslist. Tevens is de minister van Asiel en Migratie veroordeeld tot het vergoeden van de proceskosten van verzoeker, een bedrag van € 934,00, toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
De beslissing is genomen op basis van artikel 8:81 en Pro 8:83 van de Algemene wet bestuursrecht, waarbij de voorzieningenrechter de belangen van verzoeker heeft meegewogen en de minister verplicht tot het treffen van de voorlopige voorziening. De uitspraak is gedaan in het openbaar en ondertekend door voorzieningenrechter M. Soffers en griffier L.C. Lodeweges.
Uitkomst: Verzoeker wordt niet uitgezet totdat het hoger beroep is beslist en de minister moet proceskosten vergoeden.