ECLI:NL:RVS:2026:3558

Raad van State

Datum uitspraak
23 juni 2026
Publicatiedatum
18 juni 2026
Zaaknummer
BRS.26.001733
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:115 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging uitspraak rechtbank en terugwijzing in zaak verblijfsvergunning asiel

Appellant, een jonge Somalische man uit Mogadishu, verzocht om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de minister van Asiel en Migratie op 13 maart 2025 werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, omdat de minister de identiteit van appellant ongeloofwaardig achtte en daardoor het asielrelaas niet verder beoordeelde.

De Afdeling bestuursrechtspraak stelt vast dat hoewel de identiteit van appellant, met name zijn naam en leeftijd, niet aannemelijk is gemaakt, de nationaliteit en herkomst wel vaststaan. Hierdoor is een beoordeling van het asielrelaas over de gestelde problemen met Al-Shabaab wel mogelijk en noodzakelijk. De rechtbank had dit standpunt van de minister moeten toetsen.

De Afdeling verklaart het hoger beroep gegrond, vernietigt de uitspraak van de rechtbank en wijst de zaak terug voor herbehandeling, waarbij het oordeel van de Afdeling in acht moet worden genomen. Tevens wordt de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellant.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en de zaak terugverwezen voor verdere behandeling.

Uitspraak

BRS.26.001733
Datum uitspraak: 23 juni 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 12 maart 2026 in zaak nr. NL25.15416 in het geding tussen:
[appellant]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 13 maart 2025 heeft de minister een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 12 maart 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. N. Vollebergh, advocaat in Breda, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1.        Appellant heeft de Somalische nationaliteit en komt uit Mogadishu. De minister heeft zijn identiteit, meer specifiek zijn naam en leeftijd, en de door hem gestelde problemen met Al-Shabaab ongeloofwaardig geacht.
2.        De rechtbank heeft geoordeeld dat de minister zich deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat de identiteit van appellant ongeloofwaardig is, onder andere omdat hij geen originele documenten heeft overgelegd en de door hem opgegeven identiteitsgegevens niet overeenkomen met de gegevens op de wel door hem overgelegde documenten. Omdat asielmotieven slechts betekenis hebben tegen de achtergrond van de identiteit, nationaliteit en herkomst van een vreemdeling, kan een verdere beoordeling van het asielrelaas van appellant achterwege blijven, aldus de rechtbank.
2.1.        Anders dan appellant in zijn enige grief betoogt, heeft de rechtbank voldoende rekening gehouden met de omstandigheid dat hij minderjarig was ten tijde van de opmaak van de door hem overgelegde documenten. Zoals de rechtbank heeft overwogen, is het ook voor een minderjarige vreemd als hij een van die documenten afwijkende identiteit opgeeft. Daarbij bestrijdt appellant niet het oordeel van de rechtbank dat de minister zich deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat appellant de verschillen tussen de door hem opgegeven identiteit en de identiteitsgegevens op de door hem overgelegde documenten niet goed heeft uitgelegd en dat hij tegenstrijdig heeft verklaard over het al dan niet bezitten van andere identificerende documenten.
2.2.        Appellant betoogt wel terecht dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat een verdere beoordeling van het asielrelaas achterwege kan blijven. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat een asielmotief slechts betekenis heeft tegen de achtergrond van de identiteit, nationaliteit en herkomst van een vreemdeling en dat een verdere beoordeling van het asielrelaas niet kan worden verricht wanneer de vreemdeling deze elementen niet aannemelijk heeft gemaakt. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 6 februari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:292, onder 5.1. In dit geval staan echter de nationaliteit en herkomst van appellant vast en heeft appellant alleen zijn identiteit, meer specifiek zijn naam en leeftijd, niet aannemelijk gemaakt. Het is immers niet in geschil dat appellant een jonge Somalische man is die uit Mogadishu komt. Beoordeling van de door hem gestelde problemen met Al-Shabaab is daarom mogelijk, omdat deze geen verband houden met zijn naam en exacte leeftijd. De minister heeft dat deel van het asielrelaas ook beoordeeld en zich op basis van wat appellant heeft verklaard en openbare informatie over Somalië op het standpunt gesteld dat de gestelde problemen met Al-Shabaab ongeloofwaardig zijn. De rechtbank had dat standpunt moeten toetsen.
2.3.        De grief slaagt.
3.        Het hogerberoepschrift roept geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 24).
4.        Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat een verdere beoordeling van het asielrelaas niet kan worden verricht. De Afdeling wijst de zaak naar de rechtbank terug om door haar te worden behandeld, waarbij zij het oordeel van de Afdeling in deze uitspraak in acht neemt (artikel 8:115, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb). De minister moet de proceskosten vergoeden. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep gegrond;
II.        vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 12 maart 2026 in zaak nr. NL25.15416;
III.        wijst de zaak naar de rechtbank terug;
IV.        veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. M.J.M. Ristra-Peeters, voorzitter, en mr. J.J.W.P. van Gastel en mr. V.V. Essenburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. van Driesten, griffier.
w.g. Ristra-Peeters
voorzitter
w.g. Van Driesten
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 23 juni 2026
1048