ECLI:NL:RVS:2026:3562
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Sevenster
- J.J.W.P. van Gastel
- M.J.M. Ristra-Peeters
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank over beroepstermijn verlenging overdrachtstermijn Dublinverordening
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft op 7 mei 2024 het verlengingsbesluit genomen om de overdrachtstermijn met twaalf maanden te verlengen. Appellant stelde hiertegen op 17 juni 2024 beroep in bij de rechtbank, die dit beroep niet-ontvankelijk verklaarde vanwege een te late indiening. Appellant ging in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling oordeelt dat de beroepstermijn tegen het verlengingsbesluit zes weken bedraagt op grond van artikel 6:7 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), omdat het verlengingsbesluit geen besluit is op grond van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). De rechtbank had ten onrechte een beroepstermijn van vier weken gehanteerd, waardoor appellant tijdig beroep had ingesteld. De Afdeling vernietigt daarom de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep gegrond.
Inhoudelijk betoogt appellant dat de minister ten onrechte de overdrachtstermijn heeft verlengd wegens onderduiken. De Afdeling volgt de minister en verwijst naar jurisprudentie van het Hof van Justitie EU waarin onderduiken wordt gedefinieerd als het doelbewust buiten bereik blijven van nationale autoriteiten. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij niet doelbewust buiten bereik bleef. Daarom is de verlenging van de overdrachtstermijn terecht. Het beroep wordt ongegrond verklaard.
De Afdeling veroordeelt de minister tot vergoeding van de proceskosten van appellant in hoger beroep. De Afdeling ziet geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank vernietigd, maar het beroep wordt inhoudelijk ongegrond verklaard.