ECLI:NL:RVS:2026:3562

Raad van State

Datum uitspraak
24 juni 2026
Publicatiedatum
18 juni 2026
Zaaknummer
202406181/1/V3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:7 AwbArt. 8:54 AwbArt. 1:3 AwbArt. 29 DublinverordeningArt. 62b Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging uitspraak rechtbank over beroepstermijn verlenging overdrachtstermijn Dublinverordening

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft op 7 mei 2024 het verlengingsbesluit genomen om de overdrachtstermijn met twaalf maanden te verlengen. Appellant stelde hiertegen op 17 juni 2024 beroep in bij de rechtbank, die dit beroep niet-ontvankelijk verklaarde vanwege een te late indiening. Appellant ging in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De Afdeling oordeelt dat de beroepstermijn tegen het verlengingsbesluit zes weken bedraagt op grond van artikel 6:7 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), omdat het verlengingsbesluit geen besluit is op grond van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). De rechtbank had ten onrechte een beroepstermijn van vier weken gehanteerd, waardoor appellant tijdig beroep had ingesteld. De Afdeling vernietigt daarom de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep gegrond.

Inhoudelijk betoogt appellant dat de minister ten onrechte de overdrachtstermijn heeft verlengd wegens onderduiken. De Afdeling volgt de minister en verwijst naar jurisprudentie van het Hof van Justitie EU waarin onderduiken wordt gedefinieerd als het doelbewust buiten bereik blijven van nationale autoriteiten. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij niet doelbewust buiten bereik bleef. Daarom is de verlenging van de overdrachtstermijn terecht. Het beroep wordt ongegrond verklaard.

De Afdeling veroordeelt de minister tot vergoeding van de proceskosten van appellant in hoger beroep. De Afdeling ziet geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank vernietigd, maar het beroep wordt inhoudelijk ongegrond verklaard.

Uitspraak

202406181/1/V3.
Datum uitspraak: 24 juni 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het hoger beroep van:
[de appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-­Hertogenbosch, van 6 september 2024 in zaak nr. NL24.24943 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij brief van 7 mei 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid appellant in kennis gesteld van zijn besluit om de overdrachtstermijn met twaalf maanden te verlengen (het verlengingsbesluit).
Bij uitspraak van 6 september 2024 heeft de rechtbank het door appellant tegen het verlengingsbesluit ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. A. Habib-Portier, advocaat in Oss, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
Inleiding
1. In de brief van 7 mei 2024 heeft de minister niet vermeld binnen welke termijn tegen het verlengingsbesluit beroep kan worden ingesteld. Appellant heeft op 17 juni 2024 bij de rechtbank beroep ingesteld tegen het verlengingsbesluit. Deze uitspraak gaat over de vraag of appellant tijdig beroep heeft ingesteld, en zo niet, of dat verschoonbaar is.
2. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.
De eerste grief
3. Wat appellant in de eerste grief heeft aangevoerd, leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat deze grief geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
De tweede grief: de beroepstermijn
4. De rechtbank heeft geoordeeld dat de beroepstermijn voor het verlengingsbesluit vier weken bedraagt. Volgens de rechtbank moet namelijk worden aangesloten bij de beroepstermijn die geldt voor besluiten genomen op grond van de Vw 2000, die volgt uit artikel 69, eerste lid, van de Vw 2000.
4.1. Volgens appellant heeft de rechtbank ten onrechte aansluiting gezocht bij de Vw 2000 en moet ervan uit worden gegaan dat de beroepstermijn van de Awb van toepassing is. Die bedraagt volgens artikel 6:7 van Pro de Awb zes weken. Appellant wijst er daarbij op dat het verlengingsbesluit een besluit is in de zin van artikel 1:3 van Pro de Awb.
4.2. In beroep heeft de minister betoogd dat de beroepstermijn één week bedraagt, in aansluiting op artikel 69, tweede lid en vierde lid, gelezen in samenhang met artikel 62b van de Vw 2000.
4.3. In de uitspraak van 14 december 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3630, onder 4.1 en 4.4 heeft de Afdeling geoordeeld dat tegen de verlenging van de overdrachtstermijn rechtstreeks beroep kan worden ingesteld. In de Dublinverordening en in de Vw 2000 staat echter niet uitdrukkelijk welke termijn voor een dergelijk beroep geldt. Bij gebrek daaraan geldt de beroepstermijn van zes weken zoals die volgt uit artikel 6:7 van Pro de Awb. Die beroepstermijn is namelijk van toepassing op besluiten in de zin van artikel 1:3 van Pro de Awb, tenzij bij wettelijke regeling anders is bepaald.
4.4. De termijn van vier weken voor het instellen van beroep zoals is vastgelegd in artikel 69, eerste lid, van de Vw 2000 geldt alleen voor besluiten die zijn genomen op grond van de Vw 2000. Dat is het verlengingsbesluit niet. Het verlengingsbesluit wordt namelijk niet genomen krachtens een bepaling van die wet. De termijn van vier weken is daarom niet van toepassing op het verlengingsbesluit.
4.5. Ook kan de minister niet worden gevolgd in zijn betoog dat de beroepstermijn één week bedraagt, in aansluiting op artikel 69, tweede lid en vierde lid, gelezen in samenhang met artikel 62b van de Vw 2000. Die bepalingen zijn namelijk niet van toepassing op het verlengingsbesluit, zodat ook dat geen wettelijke regeling is om af te wijken van de beroepstermijn uit de Awb.
4.6. Uit de wet volgt dus dat de beroepstermijn tegen het verlengingsbesluit zes weken is.
4.7. Dat neemt niet weg dat een beroepstermijn van één week ook naar het oordeel van de Afdeling het best past binnen het stelsel van dit soort zaken. Vergelijk de beroepstermijn voor het besluit waarbij een asielaanvraag niet in behandeling wordt genomen als op grond van de Dublinverordening is vastgesteld dat een andere lidstaat daarvoor verantwoordelijk is, en de beroepstermijn voor het overdrachtsbesluit. Die beroepstermijn bedraagt één week. Dat volgt uit artikel 69, tweede lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000, en uit artikel 69, eerste lid en vierde lid, gelezen in samenhang met artikel 62b van de Vw 2000.
Bovendien is een dergelijke termijn in lijn met de hiervoor genoemde uitspraak van 14 december 2022, onder 4.4, waarin de Afdeling heeft overwogen dat het verlengingsbesluit wordt genomen in het kader van de overdracht op grond van de Dublinverordening. Een termijn van één week voor het instellen van beroep tegen het verlengingsbesluit sluit daarop aan. Dit past ook binnen het oordeel in die uitspraak om tegen het verlengingsbesluit rechtstreeks beroep toe te staan.
4.8. Maar artikel 6:7 van Pro de Awb bepaalt nu eenmaal dat de beroepstermijn zes weken bedraagt, tenzij bij wettelijke regeling anders is bepaald. Zoals hiervoor is overwogen, is dat niet het geval. Gelet op de rechtszekerheid moet een beroepstermijn uit de wet volgen. Het is daarbij niet aan de rechter, maar aan de wetgever om een afwijkende beroepstermijn vast te leggen in een wettelijke regeling. Dat heeft de wetgever niet gedaan.
4.9. Het voorgaande betekent dat appellant terecht klaagt over het oordeel van de rechtbank dat de beroepstermijn voor het instellen van beroep vier weken bedraagt. De grief slaagt.
Het voorgaande betekent ook dat appellant tijdig beroep heeft ingesteld door binnen zes weken na het verlengingsbesluit beroep in te stellen. De Afdeling geeft de minister mee om de beroepstermijn te vermelden in de kennisgeving van het verlengingsbesluit.
Conclusie hoger beroep
5. Het hoger beroep is gegrond. Het is niet nodig wat appellant verder heeft aangevoerd te bespreken. Ook roept het hogerberoepschrift geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 24). De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. De minister moet de proceskosten in hoger beroep vergoeden. De Afdeling beoordeelt het ontvankelijke beroep. Daarbij bespreekt zij de beroepsgronden waarover de rechtbank nog geen oordeel heeft gegeven.
Het beroep
6. Appellant betoogt dat de minister ten onrechte de overdrachtstermijn heeft verlengd wegens onderduiken.
6.1. Uit het arrest van het Hof van 19 maart 2019, Jawo, ECLI:C:EU:2019:218, punt 70, volgt dat sprake is van ‘onderduiken’ in de zin van artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening wanneer de betrokkene er doelbewust voor zorgt dat hij buiten het bereik blijft van de nationale autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van de overdracht, om deze overdracht te voorkomen. Dat is het geval wanneer die overdracht niet kan worden uitgevoerd, omdat de betrokkene de hem toegekende woonplaats heeft verlaten zonder de bevoegde nationale autoriteiten van zijn afwezigheid op de hoogte te brengen, op voorwaarde dat hij werd geïnformeerd over zijn verplichtingen. Zie ook de hiervoor genoemde uitspraak van de Afdeling van 14 december 2022, onder 6. Als van een dergelijke situatie sprake is, is het aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat hij niet de bedoeling had om de overdracht te voorkomen. Dat volgt uit het hiervoor genoemde arrest Jawo, punt 65. Zie ook de uitspraak van de Afdeling van 5 januari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:16, onder 6.
6.2. Appellant was ervan op de hoogte dat hij verplicht was om de nationale autoriteiten te informeren over zijn woon- of verblijfplaats. Uit de stukken blijkt dat hij een dag voor de geplande overdracht aan Bulgarije op 8 mei 2024 zelfstandig de woonruimte heeft verlaten zonder het COA op de hoogte te brengen van zijn woon- of verblijfplaats. Appellant voert aan dat hij bij een kerkelijke instantie heeft verbleven en stelt dat deze locatie voor de nationale autoriteiten bekend was. Daaruit blijkt echter niet dat hij zijn verblijfplaats op enig moment heeft gemeld. Hij bevond zich buiten het bereik van de Nederlandse autoriteiten, waardoor de minister hem niet kon overdragen.
6.3. Appellant heeft verklaard dat hij de overdracht niet wilde ontlopen. Hij heeft met die, op geen enkele wijze toegelichte of met stukken onderbouwde, verklaring niet aannemelijk gemaakt dat hij niet doelbewust buiten het bereik van de nationale autoriteiten is gebleven.
6.4. Uit het voorgaande volgt dat de minister de overdrachtstermijn met toepassing van artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening heeft mogen verlengen.
6.5. De beroepsgrond faalt. Uit het voorgaande volgt dat de opgeworpen vraag kan worden beantwoord aan de hand van de rechtspraak van het Hof. Gelet op de arresten van het Hof van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punten 13 en 14, 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punt 36, en Remling, punt 36, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen.
Conclusie beroep
7. Het beroep is ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's­-Hertogenbosch, van 6 september 2024 in zaak nr. NL24.24943;
III. verklaart het beroep ongegrond;
IV. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzitter, en mr. J.J.W.P. van Gastel en mr. M.J.M. Ristra-Peeters, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.J.P.G. van Bekhoven, griffier.
w.g. Sevenster
voorzitter
w.g. Van Bekhoven
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2026
959