ECLI:NL:RVS:2026:3568
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen uitzetting na afwijzing verblijfsvergunning asiel
Verzoeker heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de minister van Asiel en Migratie op 18 december 2025 is afgewezen. Hiertegen heeft verzoeker beroep ingesteld bij de rechtbank Den Haag, die op 2 juni 2026 het beroep ongegrond verklaarde. Verzoeker stelde vervolgens hoger beroep in en verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter heeft op 23 juni 2026 besloten dat verzoeker niet mag worden uitgezet zolang het hoger beroep loopt. Tevens is de minister veroordeeld tot het vergoeden van de proceskosten van verzoeker, die geheel toe te rekenen zijn aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Deze voorlopige voorziening is getroffen op grond van artikel 8:81 en Pro 8:83 van de Algemene wet bestuursrecht, waarbij rekening is gehouden met eerdere jurisprudentie van de Raad van State. De uitspraak biedt verzoeker tijdelijke bescherming tegen uitzetting en waarborgt zijn recht op opvang en verstrekkingen gedurende de procedure.
Uitkomst: Verzoeker mag niet worden uitgezet totdat op het hoger beroep is beslist en de minister moet proceskosten vergoeden.