ECLI:NL:RVS:2026:3592

Raad van State

Datum uitspraak
24 juni 2026
Publicatiedatum
22 juni 2026
Zaaknummer
BRS.24.000218
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vw 2000Art. 61 Vw 2000Art. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen bewaring van Venezolaanse gezin wegens onttrekkingsrisico en belangen minderjarige kinderen

De minister van Asiel en Migratie stelde op 17 mei 2024 een Venezolaans gezin, bestaande uit ouders en drie kinderen, in bewaring wegens een risico op onttrekking aan toezicht. De rechtbank oordeelde dat de bewaring onvoldoende was gemotiveerd, met name omdat de minister onvoldoende rekening had gehouden met het lopende hoger beroep in de asielprocedure en de belangen van de minderjarige kinderen.

De Raad van State overweegt dat de minister terecht uitging van zware gronden voor bewaring, waaronder het niet vrijwillig opvolgen van vertrekverplichtingen, en dat de verklaring van betrokkenen om het hoger beroep af te wachten deze gronden niet weerlegt. Ook is het standpunt van de minister dat lichter middelen niet effectief waren, voldoende gemotiveerd.

Verder heeft de minister volgens de Afdeling de belangen van de minderjarige kinderen zorgvuldig meegewogen, onder meer door bewaring in een gespecialiseerde gezinsvoorziening en het beperken van de duur tot twaalf dagen. De Afdeling vernietigt het vonnis van de rechtbank, verklaart het hoger beroep gegrond, wijst de beroepen ongegrond en wijst verzoeken om schadevergoeding af.

Uitkomst: De Raad van State vernietigt het vonnis van de rechtbank en verklaart het hoger beroep van de minister gegrond, waarbij de beroepen ongegrond worden verklaard en verzoeken om schadevergoeding worden afgewezen.

Uitspraak

BRS.24.000218
Datum uitspraak: 24 juni 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 4 juni 2024 in zaken nrs. NL24.21184, NL24.21199, NL24.21201, NL24.21186 en NL24.21189 in het geding tussen:
[betrokkene 1], [betrokkene 2],[betrokkene 3], [betrokkene 4] en [betrokkene 5]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluiten van 17 mei 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid betrokkenen in bewaring gesteld.
Bij uitspraak van 4 juni 2024 heeft de rechtbank de daartegen door betrokkenen ingestelde beroepen gegrond verklaard en schadevergoeding toegekend.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.
Betrokkenen, vertegenwoordigd door mr. F.W. Verweij, advocaat in Utrecht, hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
Inleiding
1.       Betrokkenen hebben de Venezolaanse nationaliteit en vormen een gezin met een vader, een moeder, twee minderjarige kinderen en één meerderjarig kind. De minister heeft hen op 17 mei 2024 op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 in bewaring gesteld. Ten tijde van de inbewaringstelling waren de kinderen 19, 16 en 4 jaar oud. Op 28 mei 2024 heeft de minister de bewaring opgeheven in verband met de uitzetting van betrokkenen naar Venezuela. De bewaring heeft in totaal twaalf dagen geduurd.
De rechtbankuitspraak
2.       De rechtbank heeft geoordeeld dat de maatregelen van bewaring niet deugdelijk zijn gemotiveerd, omdat de minister zowel bij het aannemen van een risico op onttrekking als bij de beoordeling of een lichter middel kon worden toegepast onvoldoende heeft meegewogen dat de houding van betrokkenen en het uitblijven van vertrek samenhingen met de lopende asielprocedure en het ingestelde hoger beroep. Betrokkenen wilden de uitspraak op het hoger beroep in hun asielprocedure afwachten. Over het lichter middel heeft de rechtbank verder overwogen dat de minister onvoldoende rekening heeft gehouden met de belangen van de minderjarige kinderen en de omstandigheden waaronder zij in bewaring zijn gesteld, wat een zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek oplevert.
De eerste grief: onttrekkingsrisico
3.       De minister komt in zijn eerste grief terecht op tegen het oordeel van de rechtbank dat hij niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat een onttrekkingsrisico bestaat. In aanmerking genomen dat de minister in beroep twee gronden heeft laten vallen, heeft hij aan de besluiten de zware gronden 3c en 3i en de lichte gronden 4c en 4d ten grondslag gelegd. Zware grond 3c houdt in dat betrokkenen eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging hebben ontvangen waaruit de verplichting Nederland te verlaten blijkt, en daaraan niet uit eigen beweging gevolg hebben gegeven. Zware grond 3i houdt in dat betrokkenen te kennen hebben gegeven dat zij geen gevolg zullen geven aan hun terugkeerverplichting. Uit de uitspraak van de Afdeling van 25 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:829, onder 15 tot en met 15.2.3, volgt dat voor deze zware gronden kan worden volstaan met een motivering waaruit de feitelijke juistheid blijkt en dat geen aanvullende motivering is vereist. De feitelijke juistheid van deze gronden is in deze zaak niet in geschil. De verklaring van betrokkenen dat zij de uitspraak op het hoger beroep in hun asielprocedure willen afwachten en daarom niet willen meewerken aan terugkeer, maakt deze gronden niet feitelijk onjuist. Daarom heeft de verklaring niet de betekenis die de rechtbank daaraan heeft toegekend, ook al kan die vanuit het perspectief van betrokkenen begrijpelijk worden geacht. Daarnaast heeft de minister hen tijdens meerdere vertrekgesprekken gewezen op de mogelijkheid van bewaring en erop gewezen dat geen voorlopige voorziening is toegewezen, waardoor zij het hoger beroep niet in Nederland mogen afwachten. De minister heeft verder de lichte gronden 4c en 4d feitelijk juist en nader toegelicht. Betrokkenen hadden geen vaste woon- of verblijfplaats en beschikten niet over voldoende middelen van bestaan. Dat zij verbleven in het azc te Beekbergen, aanspraak konden maken op opvang en ondersteuning bij terugkeer zouden kunnen krijgen via de Dienst Terugkeer & Vertrek (DT&V) of de Internationale Organisatie voor Migratie, doet hieraan niet af. Hieruit volgt dat de minister zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat een risico bestaat dat betrokkenen zich aan het toezicht zullen onttrekken. Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, leiden de omstandigheden in deze zaak niet tot de conclusie dat de minister ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat uit de bewaringsgronden een risico op onttrekking volgt.
3.1.    De grief slaagt.
De tweede grief: lichter middel
4.       De minister komt in zijn tweede grief terecht op tegen het oordeel van de rechtbank dat hij had moeten volstaan met een lichter middel. De minister heeft zich in de maatregelen deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat het eerder toepassen van een lichter middel, namelijk de meldplicht, het voeren van vier vertrekgesprekken met de DT&V en het bieden van ondersteuning bij een zelfstandig vertrek, niet hebben geleid tot het vertrek van betrokkenen. Daarnaast hebben betrokkenen tijdens hun verblijf in het azc te Beekbergen geen stappen ondernomen die tot zelfstandig vertrek hadden kunnen leiden. Dat de minister bij de afweging om geen lichter middel toe te passen niet expliciet heeft betrokken dat het uitblijven van vertrek samenhing met de lopende asielprocedure en het ingestelde hoger beroep, betekent niet dat hij de afweging niet mocht maken zoals hij heeft gedaan. De minister heeft tijdens het vertrekgesprek van 17 april 2024 en het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling van 17 mei 2024 duidelijk gemaakt dat het instellen van hoger beroep geen rechtmatig verblijf oplevert. Op grond van artikel 61 van Pro de Vw 2000 rustte op betrokkenen de verplichting Nederland uit eigen beweging te verlaten. De minister mocht verwachten dat betrokkenen, ook hangende het hoger beroep, aan hun vertrekplicht zouden voldoen. Dat zij de uitkomst van de procedure wilden afwachten, schortte deze verplichting niet op. De rechtbank heeft ook bij de beoordeling van het lichter middel hieraan onvoldoende gewicht toegekend.
4.1.    Anders de rechtbank heeft geoordeeld, heeft de minister zich ook terecht op het standpunt gesteld dat hij in overeenstemming met het beleid in paragraaf A5/2.4 van de Vc 2000 voldoende rekening heeft gehouden met de belangen van de minderjarige kinderen en de omstandigheden waaronder zij in bewaring zijn gesteld. De minister heeft, zoals de rechtbank ook heeft vastgesteld, een verzwaarde belangenafweging verricht. Daarbij heeft hij meegewogen dat betrokkenen verbleven in de Gesloten Gezinsvoorziening te Zeist, die specifiek is ingericht voor gezinnen met minderjarige kinderen, dat sprake was van een risico op onttrekking aan het toezicht en dat de situatie van minderjarige kinderen onlosmakelijk is verbonden met die van hun ouders. De minister heeft daarbij terecht van belang geacht dat de minderjarige kinderen nog niet voor zichzelf kunnen zorgen en afhankelijk zijn van hun ouders, en dat het in hun belang is bij hun ouders te blijven. Vergelijk het toetsingskader en de uitvoeringspraktijk zoals geschetst en toegepast in de Afdelingsuitspraak van 26 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1217, waarop de rechtbank ook heeft gewezen. Dat de minister de ouders niet expliciet heeft gevraagd wat zij in het belang van hun minderjarige kinderen vonden, maakt - anders dan de rechtbank heeft overwogen - niet dat de besluiten niet deugdelijk zijn gemotiveerd en dat de minister meer maatwerk had moeten bieden. In het licht van wat bekend was over de situatie van betrokkenen en wat zij daarover hadden aangevoerd, bestond er voor de minister geen verplichting om door te vragen. Hoewel in de uitspraak van 26 maart 2024 sprake was van langdurige frustratie van de uitzettingsprocedure, wat hier niet aan de orde is, heeft de minister ook in deze zaak de belangen van de minderjarige kinderen uitvoerig en kenbaar meegewogen. De minister heeft ook in overeenstemming met paragraaf A5/2.4 van de Vc 2000, de bewaring zo kort mogelijk gehouden door betrokkenen op de twaalfde dag uit te zetten.
4.2.    De grief slaagt.
Conclusie
5.       Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Omdat er geen beroepsgronden zijn die de rechtbank niet heeft besproken en de Afdeling ook ambtshalve geen reden ziet om de bewaring onrechtmatig te achten, zijn de beroepen alsnog ongegrond. De Afdeling wijst de verzoeken om schadevergoeding daarom af. In deze zaak zijn geen vragen aan de orde over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punten 24 en 31). De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.  Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep gegrond;
II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 4 juni 2024 in zaken nrs. NL24.21184, NL24.21199, NL24.21201, NL24.21186 en NL24.21189;
III.      verklaart de beroepen ongegrond;
IV.     wijst de verzoeken om schadevergoeding af.
Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, voorzitter, en mr. N. Verheij en mr. M.J.M. Ristra-Peeters, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.H.L. Dallinga, griffier.
w.g. De Poorter
voorzitter
w.g. Dallinga
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2026
18-1102