ECLI:NL:RVS:2026:3648

Raad van State

Datum uitspraak
24 juni 2026
Publicatiedatum
24 juni 2026
Zaaknummer
202600806/1/R4
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • G.O. van Veldhuizen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 lid 1 Afvalstoffenverordening 2010Art. 6 lid 2 onder c Regeling uitvoering Afvalstoffenverordening 2010 Den Haag 2018Art. 8:57 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen spoedeisende bestuursdwang voor onjuiste afvalaanbieding

Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag heeft op 2 september 2025 spoedeisende bestuursdwang toegepast door een kartonnen doos te verwijderen die naast een papiercontainer was aangetroffen. De doos droeg een adreslabel met de naam en adresgegevens van appellant, die werd aangemerkt als overtreder van de Afvalstoffenverordening 2010 en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit.

Appellant betoogde dat hij de doos correct in de papiercontainer had geplaatst, maar dat deze vanwege beperkte ruimte gedeeltelijk uit de opening stak en mogelijk later uit de container was gevallen of door derden was verwijderd. Hij stelde dat het enkel aantreffen van zijn adres op de doos niet automatisch betekent dat hij het afval onjuist heeft aangeboden.

De Raad van State oordeelde dat het risico dat de doos uit de container viel of door derden werd verwijderd voor rekening van appellant komt, omdat het aanbieden van afval waarbij een deel uit de container steekt niet is toegestaan volgens de afvalverordening. Het bewijsvermoeden dat appellant de overtreder is, werd niet weerlegd. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het college hoefde geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Het beroep tegen de toepassing van spoedeisende bestuursdwang wegens onjuiste afvalaanbieding wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

202600806/1/R4.
Datum uitspraak: 24 juni 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak als bedoeld in artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) in het geding tussen:
[appellant], wonend in Den Haag,
appellant,
en
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag,
verweerder
Procesverloop
Bij besluit van 6 september 2025 heeft het college zijn beslissing om op 2 september 2025 spoedeisende bestuursdwang toe te passen wegens het in strijd met Artikel 9 lid 1 van Pro de Afvalstoffenverordening 2010 en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college vermeld dat de kosten van de toepassing van bestuursdwang, te weten € 199,57, voor rekening van [appellant] komen.
Bij besluit van 10 maart 2026 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.
Geen van de partijen heeft binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord, waarna de Afdeling het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten.
Overwegingen
1.       De toepassing van spoedeisende bestuursdwang heeft bestaan uit het verwijderen van een kartonnen doos, die op 2 september 2025 is aangetroffen naast de papiercontainer ter hoogte van [locatie] in Den Haag. Het college is ervan uitgegaan dat [appellant] de kartonnen doos verkeerd heeft aangeboden, omdat er op de doos een adreslabel staat met daarop zijn naam- en adresgegevens.
2.       [appellant] betoogt dat hij de kartonnen doos niet naast de papiercontainer heeft geplaatst. Volgens [appellant] was de container ten tijde van het aanbieden vrijwel vol. Hij stelt de doos in de container te hebben gedeponeerd, waarbij door de beperkte ruimte een deel van de doos uit de opening van de papiercontainer stak. [appellant] geeft aan dat het zijn bedoeling was de doos op correcte wijze aan te bieden. Hij voert aan dat het mogelijk is dat de doos later uit de container is gevallen of door derden uit de container is verwijderd, hetgeen buiten zijn invloed ligt. Voorts stelt [appellant] dat het enkele feit dat zijn adres op de doos is aangetroffen niet automatisch betekent dat hij het afval onjuist heeft aangeboden. [appellant] bestrijdt bovendien de stelling van het college dat de doos vanwege de grootte niet in de container zou passen, en wijst erop dat het uitsteken van een deel van de doos niet uitsluit dat deze gedeeltelijk in de container is geplaatst.
3.       Artikel 9, eerste lid, van de Afvalstoffenverordening 2010 houdt in dat het de gebruiker van een perceel, voor wie een inzamelmiddel of inzamelvoorziening is aangewezen, verboden is huishoudelijke afvalstoffen anders aan te bieden dan via het betreffende inzamelmiddel, de betreffende inzamelvoorziening of het betreffende brengdepot.
Artikel 6, tweede lid, aanhef en onder c, van de Regeling uitvoering Afvalstoffenverordening 2010 Den Haag 2018 houdt in dat uit inzamelmiddelen en inzamelvoorzieningen geen voorwerpen mogen steken.
4.       Een toezichthouder heeft op 2 september 2025 een kartonnen doos aangetroffen naast de papiercontainer. Volgens vaste rechtspraak mag in zo’n geval worden aangenomen dat degene tot wie het afval is te herleiden, dit afval op onjuiste wijze ter inzameling heeft aangeboden en dus de overtreder is, tenzij zij het tegendeel aannemelijk maakt. Zie voor een uiteenzetting van deze rechtspraak de uitspraak van 18 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2432.
4.1.    [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de kartonnen doos op een andere wijze buiten de papiercontainer is terechtgekomen dan door zijn handelen. Daarbij is van belang dat [appellant] zelf heeft gesteld dat hij de doos in een vrijwel volle papiercontainer heeft geplaatst, waarbij een deel van de doos uit de opening stak. Artikel 6, tweede lid, aanhef en onder c, van de Regeling uitvoering Afvalstoffenverordening 2010 Den Haag 2018 houdt in dat uit inzamelmiddelen en inzamelvoorzieningen geen voorwerpen mogen steken. Dat betekent dat ook een gedeeltelijke plaatsing van de doos, waarbij een deel buiten de container bleef, niet is toegestaan. Door de doos op deze wijze aan te bieden, heeft [appellant] het risico genomen dat deze uit de container zou vallen of door een derde uit de container zou worden gehaald en vervolgens naast de container terecht zou komen. Die omstandigheid komt voor zijn rekening en risico. [appellant] had de doos in dat geval moeten meenemen en op een ander moment of bij een andere papiercontainer moeten aanbieden. Het enkele betoog dat het zijn bedoeling was de doos correct aan te bieden en dat het buiten zijn invloed lag dat de doos later buiten de container is beland, leidt daarom niet tot een ander oordeel. Dat het adres van [appellant] op de doos is aangetroffen, heeft het college aan het besluit ten grondslag mogen leggen. [appellant] heeft het daaruit voortvloeiende bewijsvermoeden niet weerlegd. Het college heeft hem daarom als overtreder mogen aanmerken.
Het betoog slaagt niet.
5.       Het beroep is ongegrond.
6.       Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. G.O. van Veldhuizen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R. Klingers, griffier.
w.g. Van Veldhuizen
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Klingers
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2026
341