AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Vernietiging subsidievaststellingsbesluiten en toekenning schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft op 24 juni 2026 uitspraak gedaan in het geschil tussen Stichting Sociaal en Werkgelegenheidsfonds Timmerindustrie (SSWT) en de minister van Werk en Participatie over subsidievaststellingsbesluiten. Na eerdere vernietiging van besluiten uit 2019, nam de minister in 2024 nieuwe besluiten waarin hij subsidies voor drie projecten vaststelde met een korting van 25% wegens onregelmatigheden in de administratie van SSWT.
SSWT stelde beroep in tegen deze nieuwe besluiten en voerde onder meer aan dat de minister niet bevoegd was tot herziening en terugvordering, dat het vertrouwensbeginsel en rechtszekerheidsbeginsel waren geschonden, en dat de korting onterecht was toegepast. De Afdeling oordeelde dat de minister op grond van Unierechtelijke bepalingen bevoegd was tot herziening en terugvordering vanwege ernstige tekortkomingen in de projectadministratie. Het beroep op het vertrouwensbeginsel werd verworpen omdat SSWT niet aan haar administratieve verplichtingen had voldaan.
Verder werd geoordeeld dat de minister terecht een forfaitaire correctie van 25% toepaste, passend bij de ernst van de onregelmatigheden. De Afdeling verklaarde het beroep gegrond, vernietigde de besluiten en droeg de minister op binnen zes weken nieuwe besluiten te nemen. Tevens wees de Afdeling een schadevergoeding toe wegens overschrijding van de redelijke termijn van ruim vier jaar, terwijl een verzoek om immateriële schadevergoeding werd afgewezen.
De minister en de Staat werden veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en schadevergoedingen aan SSWT. De Afdeling bepaalde dat tegen de nieuwe besluiten alleen bij haar beroep kan worden ingesteld.
Uitkomst: De subsidievaststellingsbesluiten van mei en juni 2024 worden vernietigd en de minister wordt opgedragen nieuwe besluiten te nemen; tevens wordt een schadevergoeding toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Uitspraak
202404214/1/A2.
Datum uitspraak: 24 juni 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
Stichting Sociaal en Werkgelegenheidsfonds Timmerindustrie (SSWT), gevestigd in Almere,
appellante,
en
de minister van Armoedebeleid, Participatie en Pensioenen (nu: de minister van Werk en Participatie),
verweerder.
Procesverloop
De Afdeling heeft bij uitspraak van 6 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:954, het hoger beroep van SSWT gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 11 mei 2021 vernietigd, de bij de rechtbank ingestelde beroepen gegrond verklaard, de besluiten van de minister van 4 juni 2019 vernietigd en de minister opgedragen om binnen twaalf weken na verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen nieuwe besluiten te nemen en deze op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken. Daarbij is bepaald dat tegen de door de minister nieuw te nemen besluiten slechts bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld.
SSWT heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van nieuwe besluiten door de minister ter uitvoering van de uitspraak van 6 maart 2024.
Bij besluit van 13 mei 2024 heeft de minister het door SSWT gemaakte bezwaar tegen de vaststelling van de subsidie voor het project Slimmer produceren Timmerindustrie, projectnummer 2010ESFN489 (project 2), gegrond verklaard, de subsidie vastgesteld op een bedrag van € .839.526,00 en bepaald dat een bedrag van € 203.838,00 wordt uitbetaald.
Bij besluit van 14 mei 2024 heeft de minister het door SSWT gemaakte bezwaar tegen de vaststelling van de subsidie voor het project De Extra Mijl, projectnummer 2011ESFN578 (project 3), gegrond verklaard, de subsidie vastgesteld op een bedrag van € 1.442.862,00 en bepaald dat een bedrag van € 329.519,00 wordt uitbetaald.
Bij besluit van 11 juni 2024 heeft de minister het door SSWT gemaakte bezwaar tegen de vaststelling van de subsidie voor het project Employability Timmerindustrie, projectnummer 2009ESFN478 (project 1), gegrond verklaard, de subsidie vastgesteld op een bedrag van € 549.089,00 en bepaald dat een bedrag van € 42.984,00 wordt uitbetaald.
SSWT heeft beroep ingesteld tegen de besluiten van 13 mei 2024, 14 mei 2024 en 11 juni 2024.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
SSWT en de minister hebben een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 januari 2026, waar SSWT, vertegenwoordigd door [gemachtigde A], [gemachtigde B], mr. C.W.M. van Ballegooijen, en L.T.J. Veerman, en de minister, vertegenwoordigd door mr. M.B. Gschwind en C.G.A. de Kok, zijn verschenen. De Afdeling heeft het onderzoek ter zitting geschorst.
SSWT en de minister hebben een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak opnieuw ter zitting behandeld op 10 februari 2026, waar SSWT, vertegenwoordigd door [gemachtigde A], [gemachtigde B] mr. C.W.M. van Ballegooijen, en [gemachgtigde C], en de minister, vertegenwoordigd door mr. M.B. Gschwind en C.G.A. de Kok, zijn verschenen.
Overwegingen
WETTELIJK KADER
1. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak. Daarin staan ook de volledige naam en vindplaats van het in deze uitspraak genoemde Unierecht.
BEROEP TEGEN HET NIET TIJDIG BESLISSEN
2. SSWT heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van nieuwe besluiten door de minister ter uitvoering van de uitspraak van de Afdeling van 6 maart 2024. Met het instellen van dit beroep heeft SSWT beoogd het nemen van nieuwe besluiten door de minister af te dwingen. Dat doel is bereikt met de besluiten van 13 mei 2024, 14 mei 2024 en 11 juni 2024. SSWT heeft daarom geen procesbelang bij het beroep tegen het niet tijdig beslissen. De Afdeling zal dit beroep daarom niet-ontvankelijk verklaren.
BEROEP TEGEN DE NIEUWE BESLUITEN
3. Op het moment dat het beroep tegen het niet tijdig beslissen werd ingesteld waren de besluiten van 13 mei 2024, 14 mei 2024 en 11 juni 2024 al wel genomen, maar niet op de juiste wijze bekendgemaakt. De minister heeft deze besluiten op 1 juli 2024 alsnog op de juiste wijze bekendgemaakt. Het beroep tegen het niet tijdig beslissen heeft, gelet op artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), mede betrekking op de besluiten van 13 mei 2024, 14 mei 2024 en 11 juni 2024. De beroepschriften tegen deze besluiten worden als nadere motivering van het beroep van rechtswege aangemerkt.
Besluiten van 13 mei 2024, 14 mei 2024 en 11 juni 2024
4. Bij de besluiten van 13 mei 2024, 14 mei 2024 en 11 juni 2024 heeft de minister de bezwaren van SSWT gegrond verklaard, de besluiten van 4 juni 2019 vernietigd en de verleende subsidies voor de projecten 1, 2 en 3 vastgesteld op onderscheidenlijk € 549.089,00, € 1.839.526,00 en € 1.442.862,00. Daarbij heeft de minister een korting van 25% per onregelmatigheid toegepast op de door de zes samenwerkingsverbanden van werkgevers gedeclareerde kosten.
Voor project 1 heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat hij op grond van artikel 70 vanPro Verordening 1083/2006, dat een duidelijke Unierechtelijke bepaling is, is gehouden om de subsidievaststelling te herzien en de onverschuldigd betaalde subsidie terug te vorderen. Met de rapportage van de Auditdienst Rijk van 24 april 2013 is volgens de minister niet de gerechtvaardigde verwachting gewekt dat aan de wettelijke vereisten is voldaan. Dit rapport geeft hiervoor alleen maar een indicatie. Bovendien is bij de vaststelling van de subsidie vermeld dat de administratie bewaard moet blijven en er nog controles kunnen plaatsvinden. Ook als wel sprake zou zijn van strijd met het nationale vertrouwensbeginsel, dan zou het beroep daarop het Unierecht niet opzij kunnen zetten. Dit volgt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof van Justitie) van 14 juli 2022 (ECLI:EU:C:2022:556), aldus de minister.
De minister is in de nieuwe besluiten voor alle drie de projecten teruggekomen van zijn standpunt dat door SSWT meermaals dezelfde praktijkopleiding is gedeclareerd. De minister handhaaft in die besluiten wel zijn standpunt dat niet op basis van facturen maar op basis van de werkelijke interne kosten gedeclareerd had moeten worden en dat SSWT in haar administratie onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt van welke organisatie de gedeclareerde facturen afkomstig zijn, door wie deze facturen zijn betaald en wat de onderlinge verhouding tussen die organisaties is. SSWT heeft daarom niet voldaan aan het vereiste van artikel 16, eerste lid, van de Subsidieregeling ESF 2007-2013 (Subsidieregeling), aldus de minister.
Voor project 3 is de minister ook teruggekomen van zijn standpunt dat de praktijkopleidingen onderdeel zijn geweest van de BBL-opleiding.
De minister heeft bij de toegepaste forfaitaire correctie van 25% aansluiting gezocht bij de richtsnoeren van de Europese Commissie, omdat het exacte financiële belang van de tekortkoming niet met zekerheid en op doelmatige wijze valt te bepalen. Volgens de minister is sprake van een ernstige tekortkoming, omdat SSWT elementaire administratievoorwaarden, te weten het op deugdelijke wijze administreren van de werkelijk gemaakte kosten, niet is nagekomen. Doordat de werkelijke kosten niet op de juiste wijze zijn vastgelegd, is onzeker wat de werkelijke kosten van verantwoorde activiteiten zijn geweest en of door SSWT is gehandeld in overeenstemming met artikel 13, eerste lid, van de Subsidieregeling en artikel 30 vanPro Verordening 966/2012.
Besluit van 11 november 2024
5. De minister heeft bij het besluit van 11 november 2024 de wettelijke rente over de bij de besluiten van 13 mei 2024, 14 mei 2024 en 11 juni 2024 uitbetaalde subsidiebedragen vastgesteld. SSWT heeft op zitting laten weten de vaststelling van de wettelijke rente niet langer te bestrijden. Het besluit van 11 november 2024 is dus niet op grond van artikel 4:125, eerste lid, van de Awb onderwerp van dit geding.
Geschil
6. Wat SSWT heeft aangevoerd tegen de uitspraak van 6 maart 2024 beschouwt de Afdeling als een verzuchting. Dit geldt ook voor de beroepsgronden van SSWT die zijn gericht tegen de nieuwe besluiten, voor zover de minister zich daarin op een standpunt heeft gesteld waarvan de Afdeling in de uitspraak van 6 maart 2024 heeft geoordeeld dat de minister die terecht heeft ingenomen, of voor zover het gaat om een standpunt dat de minister naar aanleiding van de uitspraak van 6 maart 2024 niet langer inneemt. Het geschil spitst zich met name toe op de berekening van de subsidie voor alle drie de projecten, zowel wat betreft het gehanteerde kortingspercentage als het bedrag waarop dit percentage wordt toegepast. De Afdeling ziet evenwel aanleiding om eerst te beoordelen of de minister bevoegd was om de subsidievaststelling voor project 1 te herzien en de onverschuldigd betaalde subsidie terug te vorderen. De Afdeling zal daarna ook het betoog van SSWT over het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel bespreken.
Project 1
Bevoegdheidsgrondslag
7. De Afdeling heeft in de uitspraak van 6 maart 2024 geoordeeld dat wijziging van het besluit tot subsidievaststelling voor project 1 op grond van artikel 4:49 vanPro de Awb niet mogelijk is, zodat naar nationaal recht (zonder acht te slaan op het Unierecht) geen grondslag voor deze wijziging en dus ook niet voor de terugvordering van de subsidie bestaat. Voor zover de minister bij zijn nieuw te nemen besluit vasthoudt aan herziene vaststelling en terugvordering, dient hij hierbij te betrekken of het Unierecht, al dan niet in combinatie met het nationale recht, hiervoor een rechtsgrondslag biedt. De minister zal daarbij dan ook moeten bezien of SSWT een beroep op het Unierechtelijk vertrouwensbeginsel toekomt, aldus de Afdeling in die uitspraak.
7.1. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat de grondslag voor de herziening van de subsidievaststelling en de terugvordering van onverschuldigd betaalde subsidie voor project 1 ligt in artikel 70 vanPro Verordening 1083/2006.
7.2. De Afdeling overweegt dat de minister op grond van artikel 98, tweede lid, van Verordening 1083/2006 is gehouden om in geval van onregelmatigheden de subsidievaststelling te herzien en onverschuldigd betaalde Europese middelen bij de begunstigden ervan terug te vorderen. Deze uitlegging wordt bevestigd door artikel 70, eerste lid, aanhef en onder b, van Verordening 1083/2006, volgens hetwelk de lidstaten, die verantwoordelijk zijn voor het beheer en de controle van de operationele programma’s, verplicht zijn om de onverschuldigd betaalde bedragen terug te vorderen, in voorkomend geval verhoogd met rente wegens tardieve betaling (vergelijk het arrest van het Hof van Justitie van 30 januari 2024, Agentsia „Patna infrastruktura", ECLI:EU:C:2024:99, punten 36, 37 en 38).
Het begrip ‘onregelmatigheid’ is in artikel 2, zevende lid, van Verordening 1083/2006 gedefinieerd als elke inbreuk op een bepaling van het Gemeenschapsrecht als gevolg van een handeling of nalatigheid van een marktdeelnemer waarbij de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen door een onverschuldigde uitgave wordt of zou kunnen worden benadeeld. De Subsidieregeling bevat in artikel 9.1, zoals deze luidde op 1 april 2009, de verplichting een deugdelijke projectadministratie te voeren. De Subsidieregeling is, voor zover van belang, gebaseerd op Verordening 1083/2006. De door de minister geconstateerde schending van de verplichting een deugdelijke projectadministratie te voeren, levert dus een onregelmatigheid als bedoeld in artikel 2, zevende lid, van Verordening 1083/2006 op. Deze geconstateerde schending is ook niet in geschil.
De minister was op grond van bovenvermelde bepalingen van Verordening nr. 1083/2006 dus gehouden om in verband met de geconstateerde onregelmatigheid over te gaan tot correctie van de subsidie voor project 1. Gelet op deze verplichting en in het licht van het oordeel van het Hof van Justitie in het arrest van 13 maart 2008 (gevoegde zaken C-383/06 tot en met C-385/06, Vereniging Nationaal Overlegorgaan Sociale Werkvoorziening e.a., ECLI:EU:C:2008:165; het ESF-arrest) was de minister dus bevoegd tot herziening van de al vastgestelde subsidie en terugvordering van de al betaalde bedragen van SSWT.
Vertrouwensbeginsel en rechtszekerheidsbeginsel
8. SSWT betoogt dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat haar geen beroep op het Unierechtelijk vertrouwensbeginsel toekomt. Zij voert hiertoe aan dat de minister en de Auditdienst Rijk in 2012 onvoldoende onderzoek naar de projectadministratie voor project 1 hebben verricht. De minister had er ten tijde van het besluit van 21 september 2013 van op de hoogte kunnen en moeten zijn door wie de opleidingen werden uitgevoerd. SSWT doet in dit verband ook een beroep op het nationaalrechtelijke vertrouwensbeginsel en het Unierechtelijke rechtszekerheidsbeginsel.
8.1. Bij de terugvordering van ten onrechte betaalde middelen moet toepassing worden gegeven aan het rechtszekerheids- en het vertrouwensbeginsel (zie het ESF-arrest, punt 53). Een subsidieontvanger kan zich niet op de bescherming van het vertrouwensbeginsel beroepen als hij niet heeft voldaan aan een van de voorwaarden die waren gesteld voor subsidieverlening (zie het ESF-arrest, punt 56). Het rechtszekerheidsbeginsel vereist dat een Unieregeling de belanghebbenden in staat stelt de omvang van de verplichtingen die zij hun oplegt, nauwkeurig te kennen (zie het arrest ROM-projecten, C-158/06, EU:C:2007:370, punt 25).
8.2. Aan het besluit tot subsidieverlening voor project 1 van 21 juli 2009 zijn als verplichting voorschriften voor het voeren van een inzichtelijke en controleerbare projectadministratie verbonden. Deze voorschriften zijn opgenomen in artikel 9.1 van de Subsidieregeling. SSWT was dus in staat om de omvang van haar verplichtingen nauwkeurig te kennen en moet daarom worden geacht bekend te zijn met deze voorschriften en met de verplichting om een deugdelijke projectadministratie te voeren. Zoals in 7.2 is overwogen, heeft SSWT in strijd met deze voor haar kenbare verplichting gehandeld. In aanmerking genomen de hiervoor, in 8.1 aangehaalde rechtspraak van het Hof van Justitie, is aldus sprake van een schending van de Subsidieregeling. Dat de minister en de Auditdienst Rijk vervolgens onderzoek moesten verrichten naar de projectadministratie voor project 1 en dit onvoldoende zouden hebben gedaan, doet aan deze schending niet af. Het beroep van SSWT op het Unierechtelijke vertrouwensbeginsel en rechtzekerheidsbeginsel kan daarom niet slagen.
8.3. Omdat SSWT geen geslaagd beroep kan doen op het Unierechtelijke vertrouwensbeginsel, kan het beroep van SSWT op het nationaalrechtelijke vertrouwensbeginsel ook niet slagen. Uit het arrest van het Hof van Justitie van 20 juni 2013, zaak C-568/11, Agroferm, ECLI:EU:C:2013:407, volgt namelijk dat, als de terugvordering van ten onrechte betaalde bedragen haar grondslag vindt in het Unierecht, aan het vertrouwens- en het rechtszekerheidsbeginsel overeenkomstig de voorschriften van het Unierecht toepassing moet worden gegeven. Deze beginselen moeten bijzonder streng worden toegepast in geval van een regeling die financiële consequenties kan hebben (punten 47 en 51). Het vertrouwensbeginsel kan dus niet tegen een duidelijke Unierechtelijke bepaling worden aangevoerd. Een daarmee strijdige gedraging van een met de toepassing van het Unierecht belaste nationale autoriteit kan daarom bij een marktdeelnemer ook geen gewettigd vertrouwen wekken op een met het Unierecht strijdige behandeling, aldus dat arrest (punt 52).
8.4. Het betoog faalt.
Projecten 1, 2 en 3
Hoogte van de subsidie voor verbonden organisaties
9. In de uitspraak van 6 maart 2024 is kort samengevat overwogen dat uitsluitend de noodzakelijke kosten die rechtstreeks aan de uitvoering en het beheer van het project zijn toe te rekenen voor subsidiëring in aanmerking komen. In geval van dienstverlening tussen verbonden organisaties mag niet op basis van facturen worden gedeclareerd, omdat in dat geval niet-noodzakelijke kosten kunnen worden gedeclareerd.
10.1 Partijen zijn verdeeld over de vraag over welk deel van de gevraagde subsidie een kortingspercentage mag worden toegepast omdat sprake is van een verbonden organisatie. De minister heeft dit kortingspercentage om die reden toegepast op de subsidie voor alle zes de samenwerkingsverbanden, terwijl SSWT betoogt dat de minister dit maar op vier van de zes samenwerkingsverbanden had mogen toepassen.
9.2. De zes samenwerkingsverbanden waar het hier over gaat zijn Espeq, OBD-Opleidingen, Technopark, SWV Hout, SPTM en Samenwerkingsverband Opleiding Timmerindustrie Regio Oost. Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 6 maart 2024, is niet in geschil dat bij Espeq en OBD-Opleidingen sprake is van verbonden organisaties. Wat betreft de overige vier samenwerkingsverbanden heeft de Afdeling in die uitspraak overwogen dat de minister aannemelijk heeft gemaakt dat in ieder geval bij twee hiervan eveneens sprake is van facturering tussen verbonden organisaties, omdat het samenwerkingsverband enig aandeelhouder is van de uitvoeringsorganisatie of omdat het samenwerkingsverband en de uitvoeringsorganisatie tezamen worden bestuurd door dezelfde organisatie. Het ging hierbij om Technopark en SPTM.
9.3. Over SWV Hout heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat Stichting Samenwerkingsverband Houtindustrie Midden-Nederland, waar de docenten in dienst zijn, en Stichting Praktijkopleiding Houtverwerkende Industrie, waar de deelnemers in dienst zijn, dezelfde bestuursleden hebben en dat daarom sprake is van verbonden organisaties. Naar het oordeel van de Afdeling is dit op zichzelf genomen onvoldoende om verbondenheid aan te nemen, omdat hiermee niet aannemelijk is geworden dat de ene organisatie direct of indirect een overheersende invloed kan uitoefenen op de andere organisatie of dat deze organisaties tezamen zijn onderworpen aan de overheersende invloed van een andere organisatie. Dat de personele bezetting van het bestuur van beide organisaties gelijk is, is onvoldoende om het tegendeel aan te nemen.
9.4. Over het Samenwerkingsverband Opleiding Timmerindustrie Regio Oost heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat Vereniging Samenwerkingsverband Praktijkopleiding Bouw Regio West Twente, waar de docenten in dienst zijn, en Samenwerkingsverband Opleiding Timmerindustrie Regio Oost, waar de deelnemers in dienst zijn, zijn gevestigd op hetzelfde adres, zij hetzelfde telefoon- en faxnummer hebben en deze organisaties in 2017 zijn gefuseerd. Daarover overweegt de Afdeling dat de fusie tussen beide organisaties heeft plaatsgevonden na afloop van de relevante subsidieperiodes. Uit de omstandigheid dat de organisaties op een later moment zijn gefuseerd kan niet worden afgeleid dat voorafgaand daaraan sprake was van verbonden organisaties. Dat beide organisaties op hetzelfde adres zijn gevestigd en hetzelfde telefoon- en faxnummer hebben leidt op zichzelf of in samenhang bezien evenmin tot het oordeel dat de organisaties verbonden zijn.
9.5. Het betoog van SSWT slaagt.
Kortingspercentage
10. SSWT betoogt dat de minister bij de (herziene) vaststelling van de subsidie ten onrechte een korting van 25% heeft toegepast. Volgens haar volgt uit de uitspraak van 6 maart 2024 dat twee door de minister geconstateerde tekortkomingen zijn afgewezen. De enige tekortkoming die de minister aan de lagere subsidievaststellingen ten grondslag heeft gelegd rechtvaardigt niet het oordeel dat sprake is van een ernstige tekortkoming. Voor het geval dit betoog niet slaagt, betoogt SSWT dat de minister nauwkeuriger had moeten berekenen hoe groot het verschil is tussen het declareren op basis van directe loonkosten en het declareren op basis van facturen. Omdat de onregelmatigheid kwantificeerbaar is, geldt onderdeel 1.4.1 van de Richtsnoeren van de Commissie. Als ook dit betoog niet slaagt, betoogt SSWT dat uit de uitspraak van 6 maart 2024 volgt dat de minister een correctie van 2% had moeten toepassen.
10.1. De Afdeling heeft in de uitspraak van 6 maart 2024 geoordeeld dat het hanteren van een kortingspercentage om het bedrag van de lagere vaststelling te bepalen, waarbij wordt aangesloten bij richtsnoeren van de Europese Commissie, op zichzelf niet onevenredig is. Op grond van deze richtsnoeren is een correctie van 25% passend voor incidentele onregelmatigheden die ernstig zijn, maar niet de gehele concrete actie ondeugdelijk maken. De minister heeft in de nieuwe besluiten voldoende toegelicht waarom het door hem toegepaste kortingspercentage van 25%, gelet op de door hem geconstateerde onregelmatigheden, een redelijk percentage is. Niet kan worden uitgesloten dat als de subsidiabele kosten op rechtmatige wijze waren gedeclareerd, de subsidie op een nog lager bedrag zou zijn vastgesteld.
Het betoog faalt.
Conclusie beroep tegen de nieuwe besluiten
11. Het beroep is gegrond. De besluiten van 13 mei 2024, 14 mei 2024 en 11 juni 2024 dienen te worden vernietigd. De minister dient nieuwe besluiten op de gemaakte bezwaren te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. Daartoe zal de Afdeling een termijn stellen. Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil ziet de Afdeling ook aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen de nieuwe besluiten alleen bij haar beroep kan worden ingesteld.
12. De minister moet de proceskosten voor de behandeling van het beroep vergoeden. Voor zover SSWT heeft verzocht om een vergoeding voor de feitelijk gemaakte kosten voor juridische ondersteuning over de jaren 2017 tot 2021 is daarvoor geen aanleiding, alleen al omdat deze kosten niet zijn gemaakt in het kader van de onderhavige procedure. Dit verzoek had moeten worden gedaan in eerdere procedures.
VERZOEK OM SCHADEVERGOEDING
13. SSWT verzoekt om aan haar voormalig directeur, [gemachtigde B], een schadevergoeding toe te kennen vanwege het leed dat hij heeft geleden vanaf 2017 tot heden, dat hem persoonlijk door de minister is toegebracht.
13.1. Op grond van artikel 8:88 vanPro de Awb kan een belanghebbende hangende het beroep tegen het schadeveroorzakende besluit een verzoek om schadevergoeding doen voor schade die die belanghebbende lijdt of zal lijden.
13.2. De Afdeling begrijpt dat SSWT verzoekt om vergoeding van immateriële schade voor [gemachtigde B]. Voor de beantwoording van de vraag of er voldoende aanleiding bestaat om een vergoeding voor immateriële schade toe te kennen, moet naar vaste rechtspraak zoveel mogelijk aansluiting worden gezocht bij het civielrechtelijk schadevergoedingsrecht. Voor nadeel dat niet uit vermogensschade bestaat, heeft een benadeelde overeenkomstig artikel 6:106, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding indien de benadeelde in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. De wetgever heeft daarbij het oog gehad op ernstige inbreuken op de persoonlijke levenssfeer alsook op andere persoonlijkheidsrechten van de betrokkene.
13.3. Het is duidelijk dat de sinds 2017 gevoerde procedures [gemachtigde B] hebben aangegrepen. Maar dit alleen is onvoldoende voor het toekennen van een vergoeding voor immateriële schade. Om te beginnen kan de gestelde immateriële schade die [gemachtigde B] sinds 2017 zou hebben geleden, niet (geheel) zijn veroorzaakt door de later genomen besluiten van 13 mei 2024, 14 mei 2024 en 11 juni 2024. Nog daargelaten dat de minister nog nieuwe besluiten moet nemen. Maar daarbij heeft SSWT ook niet aannemelijk gemaakt dat [gemachtigde B] door deze besluiten zodanig heeft geleden dat sprake is van geestelijk letsel dat kan worden beschouwd als een ernstige inbreuk op zijn persoonlijke levenssfeer dan wel op andere persoonlijkheidsrechten als bedoeld in artikel 6:106, eerste lid, van het BW. De enkele stelling dat het leed van [gemachtigde B] enorm is, is daarvoor onvoldoende.
13.4. Het op artikel 8:88 vanPro de Awb gebaseerde verzoek om schadevergoeding dient daarom te worden afgewezen.
VERZOEK OM SCHADEVERGOEDING VANWEGE OVERSCHRIJDING VAN DE REDELIJKE TERMIJN
14. SSWT heeft ook verzocht om schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 vanPro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
14.1. De redelijke termijn is overschreden als de duur van de totale procedure te lang is. Voor een procedure als deze die uit een bezwaarprocedure en twee rechterlijke instanties bestaat, is in beginsel een totale lengte van ten hoogste vier jaar redelijk. Hierbij wordt een half jaar gerekend voor de behandeling van het bezwaar, anderhalf jaar voor de behandeling van het beroep en twee jaar voor de behandeling van het hoger beroep. De termijn begint op het moment van ontvangst van het bezwaarschrift door het bestuursorgaan.
14.2. De minister heeft de bezwaarschriften tegen de besluiten van 21 september 2017 ontvangen op 31 oktober 2017. De redelijke termijn is in deze procedure dus met vier jaar en bijna acht maanden overschreden. De overschrijding moet voor 31/56e deel aan de minister voor 10/56e deel aan de rechtbank en voor 13/56e deel aan de Afdeling worden toegerekend.
14.3. De Afdeling hanteert een forfaitaire vergoeding van € 500,00 per half jaar waarmee de redelijke termijn is overschreden. Daarmee wordt de schadevergoeding vastgesteld op € 5.000,00.
15. De minister en de Staat der Nederlanden moeten de proceskosten vergoeden die zijn gemaakt in verband met het verzoek om schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het beroep tegen het niet tijdig nemen van nieuwe besluiten door de minister van Armoedebeleid, Participatie en Pensioenen ter uitvoering van de uitspraak van de Afdeling van 6 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:954, niet-ontvankelijk;
II. verklaart het beroep tegen de besluiten van de minister van Armoedebeleid, Participatie en Pensioenen van 13 mei 2024, 14 mei 2024 en 11 juni 2024 gegrond;
III. vernietigt die besluiten;
IV. draagt de minister van Werk en Participatie op om binnen zes weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen nieuwe besluiten op de gemaakte bezwaren te nemen;
V. bepaalt dat tegen de te nemen nieuwe besluiten alleen bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld;
VI. veroordeelt de minister van Werk en Participatie tot vergoeding van bij Stichting Sociaal en Werkgelegenheidsfonds Timmerindustrie in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 3.269,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
VII. gelast dat de minister van Werk en Participatie aan Stichting Sociaal en Werkgelegenheidsfonds Timmerindustrie het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 371,00 vergoedt;
VIII. wijst het verzoek om schadevergoeding op grond van artikel 8:88 vanPro de Awb af;
IX. wijst het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn toe;
X. veroordeelt de minister van Werk en Participatie tot betaling aan Stichting Sociaal en Werkgelegenheidsfonds Timmerindustrie van een schadevergoeding van € 2.767,86;
XI. veroordeelt de Staat der Nederlanden (ministerie van Binnenlandse Zaken) tot betaling aan Stichting Sociaal en Werkgelegenheidsfonds Timmerindustrie van een schadevergoeding van € 1.339,29;
XII. veroordeelt de Staat der Nederlanden (ministerie van Justitie en Veiligheid) tot betaling aan Stichting Sociaal en Werkgelegenheidsfonds Timmerindustrie van een schadevergoeding van € 892,86;
XIII. veroordeelt de minister van Werk en Participatie tot vergoeding van bij Stichting Sociaal en Werkgelegenheidsfonds Timmerindustrie in verband met de behandeling van het verzoek om schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 233,50, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
XIV. veroordeelt de Staat der Nederlanden tot vergoeding van bij Stichting Sociaal en Werkgelegenheidsfonds Timmerindustrie in verband met de behandeling van het verzoek om schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 233,50, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, voorzitter, en mr. J. Th. Drop en mr. C.C.W. Lange, leden, in tegenwoordigheid van mr. H.A. Komduur, griffier.
w.g. Borman
voorzitter
w.g. Komduur
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2026
809
BIJLAGE
Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 (PB 2012 L 298)
Artikel 30
1. De kredieten worden aangewend volgens de beginselen van goed financieel beheer, met name de beginselen van zuinigheid, efficiëntie en doeltreffendheid.
2. Zuinigheid betekent dat de door de instelling voor haar activiteiten ingezette middelen tijdig, in passende hoeveelheid en kwaliteit en tegen de best mogelijke prijs beschikbaar worden gesteld.
Efficiëntie betekent dat de beste verhouding tussen de ingezette
middelen en de verkregen resultaten wordt nagestreefd.
Doeltreffendheid betekent dat de gestelde doelen en de beoogde
resultaten worden bereikt.
3. Er worden specifieke, meetbare, haalbare, relevante en van
een datum voorziene doelstellingen vastgelegd voor alle werkgebieden die door de begroting worden bestreken. De verwezenlijking van die doelstellingen wordt gecontroleerd door per activiteit vastgestelde resultatenindicatoren en de in artikel 38, lid 3, onder e), bedoelde informatie wordt aan het Europees Parlement en de Raad verstrekt door de met de uitgave belaste administratieve diensten. Die informatie wordt elk jaar zo spoedig mogelijk verstrekt, en uiterlijk in de documenten die de
ontwerpbegroting vergezellen.
4. Om de besluitvorming te verbeteren, voeren de instellingen evaluaties vooraf en achteraf uit, overeenkomstig de door de Commissie verstrekte richtsnoeren. Die evaluaties hebben betrekking op alle programma's en activiteiten die belangrijke uitgaven met zich meebrengen en de resultaten van die evaluaties worden meegedeeld aan het Europees Parlement, de Raad
en de met de uitgave belaste administratieve autoriteiten.
5. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 210 gedelegeerdePro handelingen vast te stellen betreffende nadere regels
inzake evaluaties vooraf, tussentijds en achteraf.
Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad van 11 juli 2006 houdende algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds en het Cohesiefonds en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1260/1999 (PB 2006 L 210/55)
Artikel 2
Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:
[…]
„onregelmatigheid": elke inbreuk op een bepaling van het Gemeenschapsrecht als gevolg van een handeling of nalatigheid van een marktdeelnemer waarbij de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen door een onverschuldigde uitgave wordt of zou kunnen worden benadeeld.
[…]
Artikel 70
1. De lidstaten zijn verantwoordelijk voor het beheer en de controle van de operationele programma's, in het bijzonder door middel van de volgende maatregelen:
a) zij zorgen ervoor dat beheers- en controlesystemen voor operationele programma's worden ingesteld overeenkomstig de artikelen 58 tot en met 62, en dat deze systemen doeltreffend functioneren;
b) zij voorkomen onregelmatigheden, sporen ze op en corrigeren ze en vorderen onverschuldigd betaalde bedragen terug, in voorkomend geval verhoogd met rente wegens laattijdige betaling. Zij stellen de Commissie in kennis van onregelmatigheden en houden haar op de hoogte van het verloop van administratieve en gerechtelijke procedures.
2. Als bedragen die onverschuldigd aan een begunstigde zijn betaald, niet kunnen worden teruggevorderd, is de lidstaat verantwoordelijk voor de terugbetaling van die voor de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen verloren gegane bedragen, indien is aangetoond dat het verlies door zijn onregelmatigheid of nalatigheid is berokkend.
3. De uitvoeringsvoorschriften voor de leden 1 en 2 worden door de Commissie vastgesteld volgens de in artikel 103, lid 3, bedoelde procedure.
Artikel 98
1. In eerste instantie is het aan de lidstaten om onregelmatigheden te onderzoeken, op te treden wanneer een belangrijke wijziging wordt geconstateerd die de aard of de voorwaarden van de uitvoering of de controle van concrete acties of operationele programma's beïnvloedt, en de nodige financiële correcties te verrichten.
2. De lidstaat past de financiële correcties toe die noodzakelijk zijn in verband met eenmalige of systematische onregelmatigheden die bij concrete acties of operationele programma's zijn geconstateerd. De door de lidstaat verrichte correcties bestaan in een volledige of gedeeltelijke intrekking van de overheidsbijdrage aan het operationele programma. De lidstaat houdt rekening met de aard en de ernst van de onregelmatigheden en met het financiële verlies voor de fondsen.
Artikel 99
1. De Commissie kan financiële correcties toepassen door de bijdrage van de Gemeenschap aan een operationeel programma volledig of gedeeltelijk in te trekken als zij, na het nodige onderzoek, tot de conclusie komt dat:
a) het beheers- en controlesysteem van het programma ernstige tekortkomingen vertoont die de reeds voor het programma betaalde communautaire bijdrage in gevaar brengen;
b) de uitgaven in een gecertificeerde uitgavenstaat onregelmatigheden vertonen die niet door de lidstaat zijn gecorrigeerd voordat de in dit lid bedoelde correctieprocedure werd ingeleid;
c) een lidstaat niet aan zijn verplichtingen uit hoofde van artikel 98 heeftPro voldaan voordat de in dit lid bedoelde correctieprocedure werd ingeleid.
2. De Commissie baseert haar financiële correcties op geconstateerde afzonderlijke onregelmatigheden, waarbij zij rekening houdt met de systematische aard van de onregelmatigheid om te bepalen of het nodig is een forfaitaire of geëxtrapoleerde correctie toe te passen.
3. De Commissie houdt bij de vaststelling van het bedrag van een correctie rekening met de aard en de ernst van de onregelmatigheid, en met de omvang en de financiële consequenties van de tekortkomingen die in het betrokken operationele programma zijn geconstateerd.
4. Wanneer de Commissie haar standpunt baseert op feiten die zijn geconstateerd door andere auditeurs dan die van haar eigen diensten, trekt zij met betrekking tot de financiële consequenties haar eigen conclusies, na onderzoek van de op grond van artikel 98, lid 2, door de betrokken lidstaat genomen maatregelen, de overeenkomstig artikel 70, lid 1, onder b), verstrekte verslagen en de eventuele antwoorden van de lidstaat.
5. Wanneer een lidstaat zijn in artikel 15, lid 4, vermelde verplichtingen niet nakomt, kan de Commissie, proportioneel aan de mate van niet-nakoming van deze verplichtingen, een financiële correctie toepassen door de bijdrage van de structuurfondsen aan de betrokken lidstaat geheel of gedeeltelijk in te trekken.
Het percentage dat toepasselijk is op de in dit lid bedoelde financiële correctie wordt bepaald in de uitvoeringsbepalingen voor deze verordening die de Commissie volgens de in artikel 103, lid 3, bedoelde procedure heeft vastgesteld.
Besluit van de Commissie van 19 oktober 2011 tot goedkeuring van richtsnoeren inzake de beginselen, criteria en indicatieve schalen die moeten worden toegepast ten aanzien van de financiële correcties die door de Commissie krachtens de artikelen 99 en 100 van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad van 11 juli 2006 worden uitgevoerd
Inleiding
[…]
Er wordt aanbevolen dat de lidstaten dezelfde criteria en percentages toepassen bij de correctie van de onregelmatigheden die door hun diensten worden geconstateerd tijdens de controles en audits die worden uitgevoerd overeenkomstig artikel 60, onder b), artikel 61, onder b), en artikel 62, lid 1, onder a) en b), van Verordening (EG) nr. 1083/2006 en tijdens andere controles, tenzij zij meer gedetailleerde voorschriften willen toepassen met
inachtneming van deze richtsnoeren en het evenredigheidsbeginsel.
1.4 […] Het bedrag van de financiële correctie wordt, waar mogelijk, beoordeeld op basis van individuele dossiers en is gelijk aan het exacte bedrag aan uitgaven die verkeerd in rekening van de EU-begroting zijn gebracht. Precies gekwantificeerde correcties zijn echter niet steeds mogelijk of kosteneffectief, als een omvangrijke aanvullende verificatie nodig is. In dergelijke gevallen moet een forfaitaire correctie worden uitgevoerd die evenredig is aan de ernst van de onregelmatigheid of de tekortkoming in het systeem.
1.4.1. Kwantificeerbare correcties
Het financiële effect van een onregelmatigheid is precies kwantificeerbaar, als het mogelijk is om op basis van een onderzoek van de individuele dossiers het exacte bedrag te berekenen van de aan de Commissie verkeerd gedeclareerde uitgaven (bv. niet-subsidiabele uitgaven). In dergelijke gevallen moet de financiële correctie exact worden berekend.
1.4.2. Niet-kwantificeerbare correcties
In andere gevallen kan het wegens de aard van de onregelmatigheid of de tekortkoming in het systeem niet mogelijk zijn om het financiële effect precies te kwantificeren (bv. niet-naleving van de voorschriften inzake overheidsopdrachten of publiciteit). In deze gevallen moet op de afzonderlijke concrete actie een forfaitaire correctie worden toegepast, gebaseerd op de ernst van de geconstateerde onregelmatigheid of tekortkoming. De voor forfaitaire correcties te gebruiken criteria en schalen staan vermeld in punt 2.
2.3. Indicatieve schalen voor de forfaitaire correcties
[…]
Correctie van 25%
Wanneer het beheers- en controlesysteem van een lidstaat ernstige tekortkomingen vertoont en er aanwijzingen zijn van wijdverbreide onregelmatigheden en nalatigheid bij het bestrijden van onregelmatige of frauduleuze praktijken, is een correctie van 25% gerechtvaardigd, omdat in een dergelijk geval redelijkerwijs mag worden aangenomen dat de mogelijkheid om straffeloos onregelmatige aanvragen in te dienen tot buitengewoon grote verliezen voor de EU-begroting zal leiden.
Een correctie van 25% is ook passend voor incidentele onregelmatigheden die ernstig zijn maar niet de gehele concrete actie ondeugdelijk maken.
[…]
Overeenkomstig het evenredigheidsbeginsel kan de correctie worden verlaagd tot 2% a 5%, wanneer op grond van de aard en de ernst van de afzonderlijke of systemische, maar wel ernstige tekortkoming een correctie van 5% niet gerechtvaardigd geacht wordt."
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 4:46
1. Indien een beschikking tot subsidieverlening is gegeven, stelt het
bestuursorgaan de subsidie overeenkomstig de subsidieverlening vast.
2. De subsidie kan lager worden vastgesteld indien:
a. de activiteiten waarvoor subsidie is verleend niet of niet geheel hebben
plaatsgevonden;
b. de subsidie-ontvanger niet heeft voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen;
c. de subsidie-ontvanger onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en
de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beschikking
op de aanvraag tot subsidieverlening zou hebben geleid, of
d. de subsidieverlening anderszins onjuist was en de subsidie-ontvanger dit
wist of behoorde te weten.
3. Voor zover het bedrag van de subsidie afhankelijk is van de werkelijke
kosten van de activiteiten waarvoor subsidie is verleend, worden kosten die
in redelijkheid niet als noodzakelijk kunnen worden beschouwd bij de
vaststelling van de subsidie niet in aanmerking genomen.
Artikel 4:49
Het bestuursorgaan kan de subsidievaststelling intrekken of ten nadele van
de ontvanger wijzigen:
a. op grond van feiten of omstandigheden waarvan het bij de 30
subsidievaststelling redelijkerwijs niet op de hoogte kon zijn en op grond
waarvan de subsidie lager dan overeenkomstig de subsidieverlening zou zijn
vastgesteld;
b. indien de subsidievaststelling onjuist was en de subsidie-ontvanger dit
wist of behoorde te weten, of 35
c. indien de subsidie-ontvanger na de subsidievaststelling niet heeft voldaan
aan aan de subsidie verbonden verplichtingen.
[…]
Subsidieregeling ESF 2007-2013, zoals deze luidde op 1 april 2009
Artikel 3.4
1. Met betrekking tot een project als bedoeld in artikel 1.2, eerste lid, onder d, komen, met inachtneming van bijlage 3 bij deze regeling, slechts voor subsidie in aanmerking de volgende noodzakelijke, rechtstreeks aan de uitvoering en het beheer van het project toe te rekenen, na indiening van de volledige subsidieaanvraag door of op verzoek van de begunstigde werkelijk gemaakte en ten laste van de begunstigde gebleven kosten van:
a. opleidingen, cursussen en trainingen tot en met MBO-4 niveau, alsmede van de toepassing van de EVC-procedure;
b. ontwikkeling van opleidingen, cursussen en trainingen tot en met MBO-4 niveau tot een maximum van 10% van de in de beschikking tot subsidieverlening opgenomen, voor subsidie in aanmerking komende kosten;
c. exploitatie gerelateerd aan de activiteiten, bedoeld in de onderdelen a en b; of
d. overhead en aan overhead gerelateerde exploitatiekosten tot een maximum van 20% van de in de beschikking tot subsidievaststelling opgenomen, voor subsidie in aanmerking komende kosten op grond van de onderdelen a, b en c.
2. Met betrekking tot de exploitatiekosten, bedoeld in het eerste lid, onder c en d, is artikel 3.3, tweede lid, van overeenkomstige toepassing.
Artikel 3.6
Zo nodig in afwijking van de artikelen 3.1 tot en met 3.5 wordt geen subsidie verleend:
[…]
b. voor naar het oordeel van de minister onredelijk gemaakte kosten ter uitvoering van het project of een onderdeel daarvan;
c. voor kosten gemaakt ter uitvoering van activiteiten, die naar het oordeel van de minister redelijkerwijs niet passen binnen de met het project beoogde doelstelling;
[…]
Subsidieregeling ESF 2007-2013, zoals deze luidde op 1 april 2010
Artikel 13
1. Voor subsidiering komen uitsluitend in aanmerking:
a. de noodzakelijke kosten die door of op verzoek van de begunstigde daadwerkelijk zijn gemaakt ter uitvoering van de subsidiabele projectactiviteiten, zoals opgenomen in Bijlage 1, die ten laste van de begunstigde zijn gebleven en zijn betaald op het moment van indienen van de eindverantwoording en die rechtstreeks aan de uitvoering en het beheer van het project zijn toe te rekenen,
[…]
Artikel 14
Niet voor subsidiering komen in aanmerking:
a. onredelijk gemaakte kosten ter uitvoering van het project of een onderdeel daarvan;
[…]
Artikel 16
1. De begunstigde houdt een inzichtelijke en controleerbare administratie bij met betrekking tot de uitvoering van het project en de in verband daarmee gedane uitgaven en verworven inkomsten. Deze administratie bestaat uit een projectadministratie, waaronder begrepen een deelnemersadministratie en een financiële administratie, waarin alle noodzakelijke gegevens tijdig, juist en volledig zijn vastgelegd en ten behoeve van de vaststelling van de subsidiabiliteit zijn te verifiëren met bewijsstukken.
2. De projectadministratie geeft inzicht in de geplande en gerealiseerde prestaties in termen van deelnemers en uren, dan wel in termen van geleverde producten of diensten.
3 De financiële administratie geeft inzicht in de subsidiabele kosten, de inkomsten en de wijze waarop de inkomsten en uitgaven aan het project worden toegerekend.
4. De deelnemersadministratie geeft inzicht in de subsidiabiliteit van de projectactiviteiten en de behaalde resultaten per individuele deelnemer.
5. De begunstigde bewaart alle administratieve bescheiden die betrekking hebben op het gesubsidieerde project tot en met 31 december 2020. Van bewijsstukken dient het originele stuk, dan wel een voor authentiek gewaarmerkte versie van het originele stuk, te worden bewaard volgens de in Bijlage 3 vastgestelde procedure.
6. Begunstigde verstrekt desgevraagd aan door de minister dan wel door de Europese Commissie daartoe aangewezen personen inzage in of informatie uit de administratie. Tevens verstrekt hij de voornoemde personen desgevraagd informatie over de voortgang van het voor subsidie in aanmerking gebrachte project.
Subsidieregeling ESF 2007-2013, zoals deze luidde op 1 april 2011
Artikel 13
1. Voor subsidiering komen uitsluitend in aanmerking:
a. de noodzakelijke kosten die door of op verzoek van de begunstigde daadwerkelijk zijn gemaakt ter uitvoering van de subsidiabele projectactiviteiten, zoals opgenomen in Bijlage 1, die ten laste van de begunstigde zijn gebleven en zijn betaald uiterlijk binnen zes weken na het indienen van de eindverantwoording en die rechtstreeks aan de uitvoering en het beheer van het project zijn toe te rekenen.
[…]
3. Kosten voor opleidingen in het kader van de Beroepsbegeleidende leerweg (BBL) ter hoogte van de vastgestelde standaardprijs á € 3.700,- per opleiding, per schooljaar, mits de volgende bewijsstukken kunnen worden overgelegd:
- de toepasselijke beroepspraktijkvormingsovereenkomst,
- loonstrook deelnemer van de laatste scholingsmaand in het ESF project,
- behaald diploma of bewijsstuk van het ROC waaruit blijkt dat de leerling gedurende een schooljaar de betreffende opleiding heeft genoten.
Artikel 14
Niet voor subsidiering komen in aanmerking:
a. onredelijk gemaakte kosten ter uitvoering van het project of een onderdeel daarvan;
[…]
Artikel 16
1. De begunstigde houdt een inzichtelijke en controleerbare administratie bij met betrekking tot de uitvoering van het project en de in verband daarmee gedane uitgaven en verworven inkomsten. Deze administratie bestaat uit een
projectadministratie, waaronder begrepen een deelnemersadministratie en een financiële administratie, waarin alle noodzakelijke gegevens tijdig, juist en volledig zijn vastgelegd en ten behoeve van de vaststelling van de subsidiabiliteit zijn te verifiëren met bewijsstukken. Deze administratie is voor controle beschikbaar op één locatie.
2. De projectadministratie geeft inzicht in de geplande en gerealiseerde prestaties in termen van deelnemers en uren, dan wel in termen van geleverde producten of diensten.
3. De financiële administratie geeft inzicht in de subsidiabele kosten, de inkomsten en de wijze waarop de inkomsten en uitgaven aan het project worden toegerekend.
4. De deelnemersadministratie geeft inzicht in de subsidiabiliteit van de projectactiviteiten en de behaalde resultaten per individuele deelnemer.
5. De begunstigde bewaart alle administratieve bescheiden die betrekking hebben op het gesubsidieerde project tot en met 31 december 2020. Van bewijsstukken dient het originele stuk, dan wel een voor authentiek gewaarmerkte versie van het originele stuk, te worden bewaard volgens de in Bijlage 3 vastgestelde procedure.
6. Begunstigde verstrekt desgevraagd aan door de minister dan wel door de Europese Commissie daartoe aangewezen personen inzage in of informatie uit de administratie. Tevens verstrekt hij de voornoemde personen desgevraagd informatie over de voortgang van het voor subsidie in aanmerking gebrachte project.