Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2026:3662

Raad van State

Datum uitspraak
24 juni 2026
Publicatiedatum
24 juni 2026
Zaaknummer
202406489/1/R3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.1.6 BroArt. 3.1.1 BroArt. 3:2 AwbArt. 8:51d AwbArt. 8:69a Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenuitspraak over waterhuishouding en onderbouwing woningbehoefte in bestemmingsplan Uitbreidingsplan Eastermar

De raad van de gemeente Tytsjerksteradiel stelde op 19 september 2024 het bestemmingsplan "Uitbreidingsplan Eastermar" vast, dat voorziet in de bouw van 25 woningen en de aanleg van een voedselbos. Appellant betoogde dat de kwantitatieve en kwalitatieve woningbehoefte onvoldoende was onderbouwd en dat het plan zou leiden tot onaanvaardbare wateroverlast op zijn perceel.

De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de kwantitatieve woningbehoefte niet langer in geschil was en dat de kwalitatieve behoefte aan rijwoningen voldoende was onderbouwd met recente onderzoeken en verkoopgegevens. Het plan voldoet daarmee aan artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening.

Ten aanzien van de waterhuishouding stelde de Afdeling vast dat het plan onvoldoende inzicht geeft in de gevolgen voor wateroverlast, met name door onduidelijkheid over de functionaliteit van de wadi, de effecten van klimaatverandering, extreme weersomstandigheden en opstuwing van water op het Burgumer Mar. Ook zijn de waarborgen voor de aanleg en instandhouding van de waterberging onvoldoende in het plan geborgd. De Afdeling beveelt de raad aan binnen 20 weken deze gebreken te herstellen en de uitkomst te communiceren.

Uitkomst: De raad moet binnen 20 weken de gebreken in de waterhuishouding van het bestemmingsplan herstellen en de uitkomst melden.

Uitspraak

202406489/1/R3.
Datum uitspraak: 24 juni 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Tussenuitspraak met toepassing van artikel 8:51d van Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:
[appellant], wonend in Eastermar, gemeente Tytsjerksteradiel,
appellant,
en
de raad van de gemeente Tytsjerksteradiel,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 19 september 2024 heeft de raad het bestemmingsplan "Uitbreidingsplan Eastermar" vastgesteld.
Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.
De raad heeft een verweerschrift ingediend.
Bouwbedrijf Swart B.V. heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellant] heeft een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak behandeld op een zitting op 25 november 2025, waar [appellant], bijgestaan door mr. W. Altenaar en mr. R.E. Morrison, advocaten in Amsterdam, en de raad, vertegenwoordigd door I.Y.C. Visser, bijgestaan door mr. K. Timmer, advocaat in Groningen, zijn verschenen. Ook is op de zitting Bouwbedrijf Swart B.V., vertegenwoordigd door [gemachtigde], als partij gehoord.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is.
Het ontwerpplan is op 20 december 2023 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en de Crisis- en herstelwet, zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.
Inleiding
2. Het plan voorziet in de bouw van 25 woningen, waarvan drie vrijstaande woningen, 10 twee-onder-een-kapwoningen, en 12 rijwoningen, en de aanleg van een voedselbos. Het plangebied ligt aan de noordzijde van het dorp Eastermar, aan de Boskkamp. Onder het vorige bestemmingsplan "Buitengebied 2013" hadden de gronden de bestemming "Agrarisch - Cultuurgrond" met de dubbelbestemming "Waarde - Landschap (Woudenlandschap)".
3. [appellant] woont aan [locatie] in Eastermar, ten noorden van het plangebied. Volgens [appellant] is de behoefte aan de woningen onvoldoende onderbouwd en daarnaast vreest hij voor wateroverlast op zijn perceel als gevolg van het plan.
Toetsingskader
4. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling oordeelt niet zelf of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het plan onevenredig zijn in verhouding tot de met het plan te dienen doelen.
Beroepsgronden
Ladder voor duurzame verstedelijking
5. [appellant] betoogt dat het plan in strijd met artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is vastgesteld. Hij voert aan dat de raad de kwantitatieve behoefte aan 25 woningen en de kwalitatieve behoefte aan 12 rijwoningen onvoldoende onderbouwd heeft. Volgens [appellant] blijkt uit de dorpenatlas en de "woningmarktanalyse Noordoost-Fryslân 2020-2023" van KAW (woningmarktanalyse 2020-2030) dat de kwantitatieve behoefte aan woningen lager is dan er met het plan mogelijk gemaakt wordt en dat er geen kwalitatieve behoefte is aan rijwoningen.
5.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het plan in overeenstemming met artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro is vastgesteld. Volgens de raad is er wel een kwantitatieve en kwalitatieve behoefte aan de woningen die met het plan mogelijk gemaakt worden.
Over de kwantitatieve woonbehoefte stelt de raad dat uit "woningbehoefteonderzoek 2022" (KAW-monitor 2022) blijkt dat de krapte op de woningmarkt is toegenomen en er vraag is naar extra woningen. Verder blijkt uit het "Woonbehoefte-onderzoek Regio Noordoost-Fryslân 2025 tot 2035, met een doorkijk naar 2040", van 17 juni 2025 (woonbehoefte onderzoek 2025-2035) dat de woonbehoefte in Eastermar groter is geworden en nu 25-35 woningen bedraagt.
Over de kwalitatieve behoefte stelt de raad dat uit de "enquête woonbehoefte Eastermar", blijkt dat er behoefte is aan huurwoningen en starterswoningen. De feitelijke behoefte is volgens de raad groter dan de onderzoeken doen vermoeden. Dit geldt ook voor rijwoningen. Op de zitting heeft de raad toegelicht dat de helft van de rijwoningen inmiddels is verkocht en de andere helft voor sociale huur is bedoeld.
5.2. Artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro luidt:
"De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien."
5.3. Niet in geschil is dat het plan voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro, zodat moet worden voldaan aan de in dat artikel opgenomen voorwaarden.
5.4. Met artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro is bedoeld uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening ongewenste leegstand te vermijden en zorgvuldig ruimtegebruik te stimuleren. De ladder voor duurzame verstedelijking is geen blauwdruk voor een optimale ruimtelijke inpassing van alle nieuwe ontwikkelingen, maar zorgt ervoor dat de wens om een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk te maken met het toetsingskader van artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro nadrukkelijk in de plantoelichting wordt gemotiveerd en afgewogen met oog voor de ontwikkelingsbehoefte van een gebied en voor de toekomstige ruimtebehoefte en de ontwikkeling van de omgeving waarin het gebied ligt. De stappen schrijven geen vooraf bepaald resultaat voor, omdat het bevoegd gezag, dat de regionale en lokale omstandigheden kent en de verantwoordelijkheid draagt voor de ruimtelijke afweging over die ontwikkeling, moet beoordelen of het bereikte resultaat optimaal is.
Zoals eerder overwogen in de overzichtsuitspraak van 28 juni 2017,  ECLI:NL:RVS:2017:1724, onder 9 - 9.10, moet in de toelichting bij een bestemmingsplan, afhankelijk van de aard van de stedelijke ontwikkeling die het plan mogelijk maakt, op objectieve wijze, aan de hand van in de beschrijving vermelde voldoende actuele, concrete en zo mogelijk cijfermatige gegevens, de behoefte aan deze stedelijke ontwikkeling worden beschreven. In deze beschrijving moet tot uitdrukking komen dat deze behoefte is afgewogen tegen het bestaande aanbod, waarbij ook de planologische capaciteit een factor van belang kan zijn. In de beschrijving moet ook inzichtelijk worden gemaakt dat het plan niet tot onnodig nieuw ruimtebeslag leidt en geen zodanige leegstand tot gevolg zal hebben dat dit tot een uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening onaanvaardbare situatie in het verzorgingsgebied van de voorziene ontwikkeling zal leiden.
5.5. Op de zitting heeft [appellant] te kennen gegeven dat hij de kwantitatieve behoefte aan 25 woningen wel kan inzien. De Afdeling begrijpt daaruit dat dit punt niet langer tussen partijen in geschil is en zal daar daarom niet verder op ingaan.
In geschil is nog wel of er een kwalitatieve behoefte bestaat aan 12 rijwoningen. Dat is volgens [appellant] onvoldoende onderbouwd.
5.6. In paragraaf 2.1 van de plantoelichting gaat het over de Ladder voor duurzame verstedelijking. Daarin staat dat uit de KAW-monitor 2022 blijkt dat er behoefte is aan extra woningen, waaronder ook aan betaalbare rij-koopwoningen. Verder wordt verwezen naar de enquête woonbehoefte, waaruit blijkt dat er behoefte is aan starterswoningen en huurwoningen.
Uit het woonbehoefte onderzoek 2025-2035 blijkt dat er in Eastermar een behoefte bestaat aan 10 sociale huurwoningen en 20-25 koopwoningen.
5.7. In wat [appellant] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het plan in strijd met artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro is vastgesteld.
Gelet op de onderbouwing in de plantoelichting dat uit de KAW-monitor 2022 blijkt dat er behoefte bestaat aan betaalbare rijwoningen, en gelet op de totale behoefte aan woningen zoals die blijkt uit het woonbehoefte onderzoek 2025-2035, overweegt de Afdeling dat de raad voldoende inzichtelijk heeft gemaakt dat er een behoefte bestaat aan rijwoningen. Dat in de dorpenatlas en de woningmarktanalyse 2020-2030 staat dat er geen behoefte is aan rijwoningen, leidt niet tot een ander oordeel. Inzichtelijk moet gemaakt worden dat het plan niet zodanige leegstand tot gevolg zal hebben dat dit tot een, uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening, onaanvaardbare situatie zal leiden. Met de onderbouwing die de raad heeft gegeven, acht de Afdeling niet aannemelijk dat er sprake zal zijn een dergelijke structurele leegstand van de rijwoningen. Daarbij neemt de Afdeling ook in aanmerking dat de raad heeft toegelicht dat de helft van de rijwoningen reeds is verkocht en de andere helft voor sociale huur bestemd is.
Het betoog slaagt niet.
Waterhuishouding
6. [appellant] betoogt dat onvoldoende onderzocht is wat de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding zijn en dat hij bij zijn perceel onaanvaardbare wateroverlast zal ondervinden. Volgens [appellant] heeft de raad het plan in strijd met artikel 3.1.1, eerste lid, en artikel 3.1.6, eerste lid, aanhef en onder b, van het Bro vastgesteld. [appellant] heeft ter onderbouwing van zijn standpunten een notitie van Tauw van 13 november 2025 over de waterhuishouding ingediend.
[appellant] voert aan dat meerdere belangrijke thema’s niet of onvoldoende zijn onderzocht. Zo ontbreekt onder andere een onderbouwing over klimaatverandering en weersextremen en de gevolgen voor het perceel van [appellant]. Ook is geen rekening gehouden met de situatie waarin water op het Burgumer Mar wordt opgestuwd, waardoor de waterafvoer richting het meer wordt belemmerd. Onduidelijk is of bij het maatgevend waterpeil van de boezem rekening is gehouden met opstuwing door wind over het Burgumer Mar.
[appellant] voert verder aan dat meerdere adviezen van het Wetterskip Fryslân niet of onvoldoende in het plan zijn verwerkt, bijvoorbeeld dat verlenging van en aansluiting op de bestaande watergangen nodig is. Bij realisatie van een ruimtelijk plan moet het onderhoud van watergangen worden gewaarborgd, waarvoor de watergangen bereikbaar moeten blijven. Daarnaast werkt de aanleg van grotere duikers niet voor situaties waarin water van het Burgumer Mar wordt opgestuwd.
[appellant] voert over de wadi aan dat niet inzichtelijk is gemaakt hoe deze functioneert, hoe afwatering naar de wadi plaatsvindt en hoe deze in het totale systeem past, gelet op het feit dat de wadi is voorzien op gronden die hoger liggen dan de rest van het plangebied. De raad heeft niet duidelijk gemaakt welke aanpassingen gedaan zullen worden om ervoor te zorgen dat regenwater daadwerkelijk naar de hoger gelegen wadi zal stromen. Ook is geen gedegen onderzoek gedaan naar de infiltratiecapaciteit van de bodem.
Tot slot voert [appellant] aan dat ook het door Swart opgestelde alternatieve waterplan van 20 februari 2025 onvoldoende is om de gebreken in de waterhuishouding en de waterparagraaf te herstellen.
6.1. De raad stelt zich in de eerste plaats op het standpunt dat het relativiteitsvereiste in de weg staat aan vernietiging van het plan vanwege strijd met artikel 3.1.1, eerste lid, van het Bro. De raad verwijst naar de uitspraken van de Afdeling van 3 oktober 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3224, onder 30.2, en 11 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2706, onder 10.20.
De raad stelt zich daarnaast op het standpunt dat de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding voldoende zijn onderzocht en de manier waarop daarmee in het plan rekening wordt gehouden voldoende is beschreven. In paragraaf 3.5 van de plantoelichting is een waterparagraaf opgenomen. Daarin worden de aandachtspunten uit het laatste advies van het Wetterskip (bijlage 16 bij de plantoelichting) besproken. Ook is in de plantoelichting beschreven hoe de toename aan verharding wordt gecompenseerd. Daarvoor is in het plan een voorwaardelijke verplichting opgenomen die ervoor zorgt dat een wadi binnen de bestemming "Groen - Groenvoorzieningen" gerealiseerd zal worden. De raad stelt over de hogere ligging van die gronden dat er verschillende manieren zijn waarop ervoor gezorgd kan worden dat de wadi goed functioneert. Daar zal volgens de raad in de praktijk voldoende aandacht aan besteed moeten worden. Dat is aan initiatiefnemer en hoeft niet al bij de vaststelling van het plan uitgewerkt te worden.
Verder is in de plantoelichting beschreven dat er een aantal maatregelen buiten het plangebied wordt genomen. Omdat die maatregelen buiten het plangebied plaatsvinden, zijn daarover tussen verschillende partijen afzonderlijke afspraken gemaakt, waaronder in de anterieure overeenkomst met Bouwbedrijf Swart. Daarmee worden de door het Wetterskip genoemde knelpunten opgelost volgens de raad.
6.2. Swart heeft een alternatief waterplan van 20 februari 2025 ingediend. Volgens Swart is dit waterplan besproken met en goedgekeurd door het Wetterskip. In het alternatieve waterplan wordt ervan uitgegaan dat water vanaf het ten oosten van het plangebied gelegen bedrijf afstroomt naar de nieuwe wadi, en water vanuit het plangebied zelf afstroomt naar de sloot aan de westzijde van het plangebied. Omdat er bij het bedrijf meer verharding aanwezig is dan er binnen het plangebied zal komen, leidt dit volgens Swart juist tot een gunstiger situatie voor [appellant].
6.3. Artikel 3.1.1, eerste lid, van het Bro luidt:
"Het bestuursorgaan dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan pleegt daarbij overleg met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Artikel 3:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing."
Artikel 3.1.6, eerste lid, aanhef en onder b, luidt:
"1. Een bestemmingsplan alsmede een ontwerp hiervoor gaan vergezeld van een toelichting, waarin zijn neergelegd:
b. een beschrijving van de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding;"
Artikel 3.3 van de planregels luidt:
"Tot een gebruik strijdig met de bestemming, wordt in ieder geval gerekend:
a. het is in strijd met deze bestemming om de gebouwen te gebruiken zonder de aanleg van een wadi / berging dat een bui van 50 mm moet kunnen opvangen / infiltreren (het toegenomen verhard oppervlak ……m² (x 0,05) = ….. m³);
b. de afvoer van de wadi / berging naar het schouwwater mag een maximale capaciteit hebben van 1,33 liter/sec./ha.
c. binnen een jaar na het onherroepelijk worden van de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen."
6.4. Daargelaten of het relativiteitsvereiste als bedoeld in artikel 8:69a van de Awb in de weg staat aan vernietiging van het plan wegens strijd met artikel 3.1.1, eerste lid, van het Bro, overweegt de Afdeling dat uit paragraaf 3.5 van de plantoelichting en de daarbij behorende bijlages 14, 15 en 16, blijkt dat er vooroverleg heeft plaatsgevonden met het Wetterskip. Alleen daarom al ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad het plan in strijd met artikel 3.1.1 van het Bro heeft vastgesteld.
In zoverre slaagt het betoog niet.
6.5. De Afdeling stelt voorop dat het plan niet hoeft te voorzien in een oplossing voor bestaande wateroverlast die [appellant] ervaart, maar het plan mag die overlast niet onaanvaardbaar verergeren. De Afdeling is er niet van overtuigd dat het plan niet leidt tot een onaanvaardbare toename aan wateroverlast voor [appellant]. De Afdeling overweegt daartoe als volgt.
6.6. In de eerste aanvulling bij het vooroverleg met het Wetterskip wordt ingegaan op maatregelen buiten het plangebied om bestaande knelpunten in het watersysteem aan te pakken. Die maatregelen bestaan voornamelijk uit het aanleggen van grotere duikers. Op de zitting is gebleken dat deze maatregelen inmiddels allemaal zijn uitgevoerd. Daarbij wordt in de eerste aanvulling van het vooroverleg wel nog opgemerkt dat bij extreme omstandigheden, waarbij het hele watersysteem vol staat, nog steeds wateroverlast kan ontstaan en dat waterberging en infiltratie daarom van groot belang zijn. Het is echter onduidelijk of hierbij ook rekening is gehouden met de door [appellant] beschreven wateroverlast bij opstuwing van water op het Burgumer Mar. Ook wordt niet concreet ingegaan op de gevolgen van klimaatverandering en extreme weersomstandigheden zoals hevige buien. In zoverre is het onderzoek naar de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding daarom onvoldoende zorgvuldig.
6.7. Het Wetterskip schrijft verder dat de aanleg van voldoende waterberging binnen het plangebied van belang is voor extreme omstandigheden. Het is dus van belang dat de wadi voldoende capaciteit heeft om de toename aan verharding binnen het plangebied te compenseren. Gelet op het hoogteverschil tussen de gronden waar de wadi komt en de rest van het plangebied, is het echter onvoldoende inzichtelijk gemaakt of de wadi, gelet daarop, goed kan functioneren. Het Wetterskip heeft er in dit kader op gewezen dat er aanpassingen nodig zijn om de wadi functioneel te maken. Hoewel de uiteindelijke concrete invulling een uitvoeringsaspect is, overweegt de Afdeling dat de raad wel voldoende moet motiveren dat de wadi daadwerkelijk functioneel kan zijn. Daarvoor moet de raad meer toelichten dan alleen stellen dat er maatregelen te bedenken zijn. Uit de plantoelichting is namelijk niet duidelijk geworden wat deze maatregelen zijn en of deze maatregelen ook daadwerkelijk uitvoerbaar zijn. Ook is het onduidelijk of rekening is gehouden met de infiltratiecapaciteit van de bodem waar de wadi moet komen en of dat gevolgen heeft voor de functionaliteit van de wadi. De Afdeling overweegt, gelet op wat hiervoor is overwogen, dat de raad niet inzichtelijk heeft gemaakt dat de noodzakelijk geachte wadi daadwerkelijk adequaat kan functioneren en voldoende waterbergende capaciteit heeft om (een toename van) de wateroverlast bij de percelen van [appellant] te voorkomen.
6.8. De Afdeling overweegt verder dat de waterbergende functie van de wadi onvoldoende in het plan is geborgd. Uit artikel 3.3 volgt namelijk alleen dat het gebruik van gebouwen op gronden met de bestemming "Groen - Groenvoorzieningen" wordt aangemerkt als met de bestemming strijdig gebruik, als niet is voorzien in een wadi. Dit artikel is alleen van toepassing op gronden met de bestemming "Groen - Groenvoorzieningen" en regelt daarom niets voor de gronden met andere bestemmingen, zoals de bestemming "Wonen". In het plan is verder geen regeling opgenomen op grond waarvan een wadi moet worden aangelegd die geldt op de gronden met de verschillende woonbestemmingen. De Afdeling overweegt daarom dat de realisatie en het gebruik van de woningen binnen de woonbestemmingen daarmee niet afhankelijk is gesteld van een goed functionerend water(bergings-)systeem. Ook het kunnen aanleggen van overige verharding buiten de bestemming "Groen - Groenvoorzieningen" is niet verbonden aan een verplichting tot de aanleg van de wadi.
6.9. Gelet op het voorgaande komt de Afdeling tot het oordeel dat de raad de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding onvoldoende heeft onderzocht en dat hij in het plan onvoldoende waarborgen heeft opgenomen om een onaanvaardbare toename van wateroverlast voor [appellant] te voorkomen.
Het betoog slaagt.
6.10. De Afdeling overweegt dat het alternatieve waterplan van Swart van 20 februari 2025 bovenstaande gebreken niet herstelt. Ook hierin is onduidelijk of rekening is gehouden met de opstuwing van water op het Burgumer Mar, de infiltratiecapaciteit van de bodem, klimaatverandering en met extreme weersomstandigheden. Tot slot wordt met dit alternatief waterplan niet het gebrek in de borging van de wadi in het plan opgelost.
Conclusie
7. Gelet op wat is overwogen onder 6.5 - 6.9, is het besluit van 19 september 2024 genomen in strijd met artikel 3:2 van Pro de Awb.
8. Met het oog op een spoedige beslechting van het geschil zal de Afdeling de raad opdragen om binnen 20 weken na verzending van deze uitspraak het onder 6.5 - 6.9 geconstateerde gebrek te herstellen.
De raad kan dit doen door alsnog nader te onderzoeken wat de gevolgen van het plan zijn voor de waterhuishouding, deugdelijk te motiveren dat de gekozen waterberging binnen het plangebied voldoende capaciteit heeft en adequaat zal functioneren, en door in het plan voldoende waarborgen op te nemen dat de waterberging daadwerkelijk zal worden gerealiseerd en in stand gehouden.
9. De raad moet de Afdeling en de andere partijen de uitkomst meedelen en een eventueel gewijzigd of nieuw besluit zo spoedig mogelijk op de wettelijk voorgeschreven wijze bekendmaken en meedelen. Afdeling 3.4 van de Awb hoeft bij de voorbereiding van een gewijzigd of nieuw besluit niet opnieuw te worden toegepast. Op een gewijzigd of nieuw besluit blijft het recht zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing. De Afdeling verwijst in dat verband naar haar uitspraak van 27 maart 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:1174, onder 25.4).
10. In de einduitspraak zal worden beslist over vergoeding van de proceskosten en het betaalde griffierecht.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
draagt de raad van de gemeente Tytsjerksteradiel op om binnen 20 weken na verzending van deze tussenuitspraak:
- met inachtneming van overwegingen 6.5 - 6.9 het daarin geconstateerde gebrek in het besluit van 19 september 2024 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Uitbreidingsplan Eastermar" te herstellen, en
- de Afdeling en de andere partijen de uitkomst mede te delen en een eventueel gewijzigd of nieuw besluit zo spoedig mogelijk op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mee te delen.
Aldus vastgesteld door mr. P.H.A. Knol, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. F.R. Schadd, griffier.
w.g. Knol
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Schadd
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2026
1076