ECLI:NL:RVS:2026:3663

Raad van State

Datum uitspraak
24 juni 2026
Publicatiedatum
24 juni 2026
Zaaknummer
202203100/1/A3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J. Th. Drop
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.8 Wet brpArt. 2.10 Wet brpArt. 2.58 Wet brpArt. 2.60 Wet brp
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wijziging persoonsgegevens in basisregistratie personen toegewezen na gegrond hoger beroep

Appellant verzocht om wijziging van zijn persoonsgegevens in de basisregistratie personen (brp), waaronder naam, geboortedatum en nationaliteit, en opname van gegevens van zijn ouders. Het college wees dit verzoek af wegens onvoldoende aannemelijkheid van de juistheid van de nieuwe gegevens en het ontbreken van originele brondocumenten. De rechtbank bevestigde dit standpunt.

In hoger beroep stelde appellant dat hij wel degelijk brondocumenten had overgelegd, waaronder een Iraaks paspoort, een gelegaliseerde geboorteakte en een DNA-verwantschapsonderzoek, die door Bureau Documenten als echt waren beoordeeld. De Afdeling bestuursrechtspraak stelde vast dat de geboorteakte en het paspoort rechtsgeldig zijn en dat het college onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat er geen behoorlijk onderzoek aan de geboorteakte ten grondslag lag.

Verder concludeerde de Afdeling dat het DNA-onderzoek overtuigend verband legt tussen appellant en de in de brondocumenten genoemde ouders, waardoor buiten redelijke twijfel vaststaat dat appellant de persoon is die in de brondocumenten wordt genoemd. De Afdeling vernietigde het eerdere besluit en de uitspraak van de rechtbank, en beval het college om binnen vier weken de inschrijving in de brp te wijzigen. Tevens werd een schadevergoeding toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitkomst: De Raad van State beveelt wijziging van de persoonsgegevens in de basisregistratie personen en wijst een schadevergoeding toe wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

202203100/1/A3.
Datum uitspraak: 24 juni 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in Alphen aan den Rijn,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 8 april 2022 in zaak nr. 20/7396 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Alphen aan den Rijn.
Procesverloop
Bij besluit van 5 juni 2019 heeft het college een verzoek van [appellant] om wijziging van gegevens in de basisregistratie personen (brp) afgewezen.
Bij besluit van 15 oktober 2020 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 8 april 2022 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 25 maart 2026, waar [appellant], bijgestaan door mr. H. de Voer, advocaat in Amsterdam, is verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1.       [appellant] heeft op 28 januari 2019 verzocht om wijziging van zijn gegevens in de brp. Het gaat om de wijziging van zijn voornamen en geslachtnaam van [naam 1] naar [naam 2], zijn geboortedatum van [geboortedatum] 1984 naar [geboortedatum] 1981 en zijn nationaliteit van onbekend naar Iraakse. Ook heeft [appellant] verzocht om opneming van gegevens van zijn vader en moeder. [appellant] heeft bij zijn verzoek verschillende documenten overgelegd, waaronder een Iraaks paspoort, een verblijfsvergunning, een geboorteakte en een DNA-rapport van Verilabs. Bij een eerder ingediend verzoek tot identiteitswijziging zijn enkele documenten al onderzocht door Bureau Documenten en op echtheid beoordeeld. Het college heeft het verzoek tot wijziging bij het besluit van 5 juni 2019 afgewezen omdat onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat de huidige geregistreerde gegevens onjuist zijn en de nieuwe gegevens juist zijn. Ook ontbreken bij de aanvraag een aantal documenten, waaronder een origineel brondocument van voor de datum van registratie in het brp, een gezichtsvergelijkend onderzoek en de originele Irakese geboorteakte. Het college heeft de afwijzing bij het besluit van 15 oktober 2020 gehandhaafd.
2.       De rechtbank heeft geoordeeld dat het college zich op het standpunt heeft mogen stellen dat de overgelegde stukken niet aannemelijk maken dat de geregistreerde gegevens in de brp onjuist zijn. [appellant] is destijds ingeschreven in de brp op basis van een verklaring onder ede,  ondersteund met een geboorteakte. Hoewel Bureau Documenten uiteindelijk die geboorteakte met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijk als vals heeft bevonden, betekent dit volgens de rechtbank niet dat de gegevens in de brp onjuist zijn. Over de nieuwe persoonsgegevens moet worden beslist door een bevoegde rechter en dit is niet gebeurd. Ook mag het college twijfelen aan de documenten die [appellant] heeft overgelegd. Omdat de geboorteakte en de overige stukken onvoldoende aanknopingspunten bieden kan volgens de rechtbank ook het DNA-verwantschapsonderzoek in dit geval niet bijdragen aan de stelling dat [appellant] is wie hij zegt te zijn.
Wettelijk kader
3.       De voor deze zaak van belang zijnde bepalingen zijn opgenomen in de bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak.
Hoger beroep
4.       [appellant] betoogt dat niet alle van de door hem overgelegde documenten door de rechtbank bij de beoordeling betrokken zijn. [appellant] mist in de opsomming door de rechtbank meerdere documenten.
4.1.    [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat hij brondocumenten heeft overgelegd en dat buiten redelijke twijfel is dat de persoonsgegevens in die documenten juist zijn. Deze documenten zijn door Bureau Documenten echt bevonden. De rechtbank heeft ook onjuist geoordeeld dat persoonsgegevens alleen kunnen worden gewijzigd als er identiteitsdocumenten van voor zijn komst naar Nederland zijn overgelegd. [appellant] heeft een Iraaks paspoort overgelegd waarvan de gegevens overeenkomen met de gegevens in de overgelegde brondocumenten. Het is voor [appellant] ook onmogelijk om beschikking te krijgen over de rechterlijke uitspraak waarnaar wordt verwezen op de geboorteakte van [appellant]. Volgens [appellant] kan hem daarom niet worden tegengeworpen dat hij geen identiteitsdocument heeft overgelegd van voor zijn komst naar Nederland. Ten slotte stelt [appellant] dat het DNA-verwantschapsonderzoek moet worden meegenomen als aanvullend bewijs.
Beoordeling
5.       Het is de Afdeling niet gebleken dat de rechtbank niet alle door [appellant] overgelegde documenten bij de beoordeling van het beroep heeft betrokken. Ook heeft het college bij de beoordeling van het rectificatieverzoek alle door [appellant] kenbaar overgelegde documenten betrokken. Dat in de opsomming door de rechtbank enkele documenten ontbreken, betekent niet dat het onderzoek door de rechtbank onzorgvuldig is geweest. [appellant] heeft dat ook niet aannemelijk gemaakt. Het betoog slaagt in zoverre niet.
6.       De rechtbank heeft uitspraak gedaan in het beroep van [appellant] nog voordat de Afdeling haar beoordelingskader voor rectificatieverzoeken op grond van artikel 2.58 van de Wet basisregistratie personen (Wet brp) in de uitspraak van 4 mei 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1198, had genuanceerd. Daarbij is het toetsingskader in die zin gewijzigd dat niet langer onomstotelijk moet vaststaan dat de in de brp geregistreerde gegevens onjuist zijn, maar dat buiten redelijke twijfel uit de overgelegde brondocumenten volgt dat de daarin vermelde gegevens juist zijn. Inmiddels heeft de Afdeling in haar uitspraak van 22 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4980, deze uitspraak op enkele punten verder gewijzigd of verduidelijkt. De Afdeling zal het hoger beroep van [appellant] dan ook behandelen aan de hand van de uitspraak van 22 oktober 2025.
Zijn er brondocumenten overgelegd?
7.       Eerst zal moeten worden beoordeeld of de door [appellant] bij zijn rectificatieverzoek overgelegde documenten brondocumenten zijn in de zin van artikel 2.8, tweede lid, van de Wet brp. De meeste geschillen over het wijzigen van in de brp geregistreerde gegevens, gaan over de documenten die zijn omschreven in artikel 2.8, tweede lid, onder c en d, van de Wet brp. In de uitspraak van 22 oktober 2025 is in overweging 6 tot en met 6.2 opgenomen wanneer een document een c-document is. In overweging 7 tot en met 7.5 en overweging 8 tot en met 8.2 is opgenomen wanneer een document een d-document is, wat geldt voor paspoorten en wat de bewijswaarde is van kopieën, afschriften of uittreksels.
7.1.    [appellant] heeft bij zijn verzoek de volgende documenten overgelegd waaruit zou moeten blijken dat de persoonsgegevens van [appellant] eigenlijk die van [naam 2] zijn:
-         Iraaks paspoort;
-         gelegaliseerde geboorteakte;
-         gelegaliseerd uittreksel bevolkingsregister;
-         identiteitskaart;
-         gelegaliseerde nationaliteitsverklaring;
-         rapport DNA-verwantschapsonderzoek, uitgevoerd door Verilabs;
-         eerste en nader gehoor inzake nieuwe feiten van de IND.
7.2.    De Afdeling stelt vast dat [appellant] aanvankelijk is ingeschreven in de brp op basis van een verklaring onder ede en een rapport van eerste gehoor door de IND. Later heeft [appellant] een gelegaliseerde geboorteakte ingeleverd met dezelfde gegevens als vermeld in zijn verklaring onder ede. Van deze geboorteakte is door Bureau Documenten vastgesteld dat met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kan worden gezegd dat deze vals is. Met de bij het hier aan de orde zijnde verzoek overgelegde geboorteakte heeft [appellant] een nieuw brondocument overgelegd ter vervanging van de eerdere geboorteakte. Bureau Documenten heeft deze tweede geboorteakte als echt beoordeeld. Het is niet vereist dat het bij het rectificatieverzoek verstrekte brondocument van een hogere orde is dan het document of de verklaring op grond waarvan de eerdere inschrijving heeft plaatsgevonden. Een brondocument van gelijke orde kan ook voldoende zijn. Zie de uitspraak van 22 oktober 2025, onder 4.1. Het college heeft ook verder niet betwist dat de geboorteakte geen brondocument zou zijn. De geboorteakte van [appellant] is een c-document. Ook het paspoort, een d-document, is een brondocument.
Zijn de brondocumenten rechtsgeldig tot stand gekomen?
8.       Het college heeft van de geboorteakte betwist dat voor het opmaken daarvan een behoorlijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Op de geboorteakte staat vermeld dat deze is opgemaakt op grond van een rechterlijke uitspraak, maar die uitspraak is niet door [appellant] overgelegd. Volgens het college is de rechterlijke uitspraak op grond waarvan de geboorteakte is opgemaakt zonder betrokkenheid van [appellant] tot stand gekomen en is de geboorteakte dus opgemaakt zonder dat deze door [appellant] zelf is aangevraagd. Omdat de geboorteakte het brondocument is voor alle daarna opgemaakte documenten bestaat er bij het college twijfel over de inhoud van de andere documenten.
8.1.    De geboorteakte van [appellant] is opgemaakt op basis van een rechterlijke beslissing van de rechtbank in Zakho uit 1997. [appellant] heeft aangegeven zelf naar Irak te zijn gegaan nadat hij erachter was gekomen wie zijn biologische ouders waren. Hij heeft daarom in Irak zijn werkelijke identiteit opgegeven en een dossier gekregen met documenten over zijn geboorte. In dat dossier zat geen rechtbankuitspraak. Volgens [appellant] moet ervan uit worden gegaan dat de juiste procedure is gevolgd om de geboorteakte te verkrijgen. Het lukt [appellant] niet om alsnog de rechtbankuitspraak over te leggen.
8.2.    Als het college stelt dat er kennelijk geen behoorlijk onderzoek heeft plaatsgevonden, moet het dit aannemelijk maken. De bewijslast ligt op dit punt bij het college. Het in algemene zin uiten van twijfels over de afgiftepraktijk van het brondocument in de afgevende staat, bijvoorbeeld door te wijzen op frauduleuze praktijken die zich hebben voorgedaan, is hiervoor onvoldoende. Aan de individuele aanvraag te relateren omstandigheden kunnen, eventueel in samenhang met kennis over de algemene afgiftepraktijk, wel voldoende zijn om aannemelijk te maken dat geen behoorlijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Om het college in staat te stellen hierover een standpunt in te nemen, mag het van de aanvrager verlangen dat hij die onderliggende documenten overlegt, tenzij de aanvrager aannemelijk maakt dat hij dit niet kan en dat hem dit niet kan worden verweten. Zie de uitspraak van 22 oktober 2025, onder 6.2.
8.3.    [appellant] heeft volgens zijn verklaring alle documenten overgelegd die hij tijdens zijn verblijf in Irak over zijn identiteit heeft verkregen. Een afschrift van de beslissing van de rechtbank in Zakho uit 1997 is hem niet verstrekt en is volgens zijn verklaring ook niet meer voorhanden. De Afdeling acht dit niet onaannemelijk gelet op de ouderdom van deze beslissing en de kennelijke inspanningen die [appellant] heeft verricht om andere op zijn identiteit betrekking hebbende documenten te verkrijgen. Om die reden kan hem ook niet worden verweten dat hij die niet heeft overgelegd en komt de Afdeling tot de conclusie dat niet van [appellant] kan worden verlangd die uitspraak alsnog over te leggen. Volgens de Afdeling is buiten redelijke twijfel dat de gegevens in de geboorteakte juist zijn en dat voorafgaand aan de afgifte van de geboorteakte behoorlijk onderzoek door de Iraakse autoriteiten heeft plaatsgevonden. Met het door het college enkele uiten van twijfel aan de geboorteakte omdat de rechtbankuitspraak niet kan worden overgelegd, heeft het college, dat overigens ook niet ter zitting is verschenen om dit nader toe te lichten, niet aannemelijk gemaakt dat kennelijk geen behoorlijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Ook is niet gebleken dat de Nederlandse openbare orde zich verzet tegen de erkenning van de rechtsgeldigheid van de in de geboorteakte vermelde feiten. Daarmee staat de rechtsgeldigheid van deze geboorteakte vast.
8.4.    Wat betreft het paspoort heeft het college zich slechts op het standpunt gesteld dat dit is opgemaakt op basis van de geboorteakte. Voor de beoordeling van paspoorten geldt het toetsingskader in de uitspraak van 22 oktober 2025, onder 7.2 tot en met 7.5. De Afdeling heeft in de uitspraak van 4 mei 2022 reeds de lijn verlaten dat een paspoort geen brondocument kan zijn omdat het is verleend op grond van andere documenten. Dat geldt in beginsel ook voor paspoorten uit Irak. Het uitgangspunt bij echt bevonden paspoorten is dat behoorlijk onderzoek heeft plaatsgevonden en de gegevens juist zijn. Als het college dit betwist, dan is het aan het college om dat aannemelijk te maken. Het college is daar in het geval van [appellant] niet in geslaagd. Ook de rechtsgeldigheid van het paspoort staat daarmee vast.
Kan een verband worden gelegd tussen [appellant] en de gegevens in de brondocumenten?
9.       De aanvrager heeft de bewijslast dat het brondocument dat hij ten grondslag legt aan zijn wijzigingsverzoek betrekking heeft op hem. Als het college zich gemotiveerd op het standpunt stelt dat dat niet zo is, bijvoorbeeld door te wijzen op verschillen tussen uiterlijke kenmerken van de aanvrager en foto’s die voorkomen op die documenten, moet het dat standpunt zo veel mogelijk van bewijs voorzien. De aanvrager moet dan aannemelijk maken dat, kortgezegd, hij wel degene is over wie het document gaat. Dit is mogelijk met alle daartoe dienstige bewijsmiddelen. Dit kan bijvoorbeeld door het inbrengen van de uitkomst van een DNA-onderzoek waaruit volgt dat een verband kan worden gelegd tussen het brondocument en de aanvrager of een fotovergelijking waaruit dit volgt. Zie de uitspraak van 22 oktober 2025, onder 9.
9.1.    [appellant] heeft geprobeerd aannemelijk te maken dat hij de persoon is die vermeld staat op de door hem overgelegde brondocumenten door middel van overlegging van een DNA-verwantschapsonderzoek. Uit dat onderzoek volgt dat praktisch bewezen is dat de persoon geïdentificeerd als [persoon A] de biologische vader is en dat praktisch bewezen is dat de persoon geïdentificeerd als [persoon B] de biologische moeder is van [appellant]. Deze personen worden op de geboorteakte genoemd als de ouders van [naam 2], de gewenste identiteit van [appellant]. Daaruit volgt dan ook dat buiten redelijke twijfel is dat [persoon A] en [persoon B] de ouders zijn van [appellant] en dat [appellant] de persoon is die op de gegevens in de brondocumenten staat. De gegevens in de brp zullen daarom moeten worden gewijzigd. Ook zullen de gegevens van de ouders van [appellant] in de brp moeten worden aangevuld.
Conclusie
10.     Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank zal worden vernietigd. De Afdeling zal het beroep gegrond verklaren en het besluit van 15 oktober 2020 vernietigen. De Afdeling ziet aanleiding om zelf in de zaak te voorzien en het besluit van het college van 5 juni 2019 te herroepen. De Afdeling zal het college opdragen om de bestaande inschrijving binnen vier weken na verzending van deze uitspraak in de brp te wijzigen zoals hierna bepaald. De Afdeling zal bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.
11.     Het college moet de proceskosten vergoeden.
Overschrijding redelijke termijn
12.     [appellant] heeft de Afdeling op de zitting verzocht om een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
12.1.  De redelijke termijn, die uitgangspunt is voor de afdoening van bestuursrechtelijke geschillen die bestaan uit een bezwaarprocedure en twee rechterlijke instanties, is in dit geval vier jaar. De redelijke termijn vangt aan op het moment waarop het bestuursorgaan het bezwaarschrift heeft ontvangen. Zie de uitspraak van de Afdeling van 26 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1296, onder 16.1.
12.2.  Het college heeft het bezwaarschrift van [appellant] ontvangen op 16 juli 2019. Bij uitspraak van heden beslist de Afdeling op het hoger beroep. Sinds 16 juli 2019 en de uitspraak van heden zijn, afgerond, 6 jaar en 11 maanden verstreken. Dit betekent dat de procedure afgerond 2 jaar en 11 maanden te lang heeft geduurd.
12.3.  De overschrijding van de redelijke termijn is toe te rekenen aan het college en aan de Afdeling. Uitgaande van een forfaitair tarief van € 500,00 per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond, bedraagt het aan [appellant] toe te kennen bedrag € 3.000,00. De vergoeding van de schade wordt naar evenredigheid uitgesproken ten laste van het college en de Staat (minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties). Het college wordt veroordeeld tot betaling van € 794,12 en de Staat tot betaling van € 2.205,88, als vergoeding voor door [appellant] geleden immateriële schade.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep gegrond;
II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 8 april 2022 in zaak nr. 20/7396;
III.      verklaart het beroep gegrond;
IV.      vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Alphen aan den Rijn van 15 oktober 2020, kenmerk 263614;
V.       herroept het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Alphen aan den Rijn van 5 juni 2019, kenmerk 234971;
VI.      draagt het college van burgemeester en wethouders van Alphen aan den Rijn op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak de bestaande inschrijving van [naam 1] te wijzigen in: [naam 2], geboren op [geboortedatum] 1981, van wie de vader is [persoon A], geboren op [geboortedatum] 1951, en van wie de moeder is [persoon B], geboren op [geboortedatum] 1957;
VII.     bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;
VIII.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Alphen aan den Rijn tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het bezwaar, beroep en hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 5.068,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatige verleende rechtsbijstand;
IX.      veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Alphen aan den Rijn om aan [appellant] een schadevergoeding van € 794,12 te betalen;
X.       veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) om aan [appellant] een schadevergoeding van € 2.205,88 te betalen;
XI.      gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Alphen aan den Rijn aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep en hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrag van € 452,00 vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. J. Th. Drop, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. I.W.M.J. Bossmann, griffier.
w.g. Drop
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Bossmann
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2026
314-1104
BIJLAGE
Wet basisregistratie personen
Artikel 2.8
(…)
2.       De gegevens over de burgerlijke staat worden, indien zij feiten betreffen die zich buiten Nederland hebben voorgedaan, ontleend aan een geschrift als bedoeld onder a, bij gebreke hiervan aan een geschrift als bedoeld onder b of c, bij gebreke ook hiervan aan een geschrift als bedoeld onder d en bij gebreke ten slotte ook hiervan aan een geschrift als bedoeld onder e:
a.       een akte over het desbetreffende feit, die is opgenomen in de registers van de Nederlandse burgerlijke stand;
b.       een in Nederland gedane rechterlijke uitspraak over het desbetreffende feit die in kracht van gewijsde is gegaan;
c.       een buiten Nederland overeenkomstig de plaatselijke voorschriften door een bevoegde instantie opgemaakte akte die ten doel heeft tot bewijs te dienen van het desbetreffende feit, of een over dat feit gedane rechterlijke uitspraak, of bij gebreke daarvan een beëdigde verklaring, bedoeld in artikel 45 van Pro Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek;
d.       een geschrift dat overeenkomstig de plaatselijke voorschriften is opgemaakt door een bevoegde instantie, waarin het desbetreffende feit is vermeld;
e.       een verklaring over het desbetreffende feit die betrokkene ten overstaan van een door het college van burgemeester en wethouders aangewezen ambtenaar onder eed of belofte heeft afgelegd, die op schrift is gesteld en door betrokkene is ondertekend.
(…)
Artikel 2.10
(…)
2.       Aan een geschrift als bedoeld in artikel 2.8, tweede lid, onder c, d of e, alsmede artikel 2.8, derde lid, worden geen gegevens ontleend, voor zover de Nederlandse openbare orde zich verzet tegen de erkenning van de rechtsgeldigheid van de in deze geschriften vermelde feiten.
3.       Aan een geschrift als bedoeld in artikel 2.8, tweede lid, onder d en e, worden geen gegevens ontleend, indien aannemelijk is dat de gegevens onjuist zijn.
(…)
Artikel 2.58
1.       Het verzoek waarmee betrokkene met betrekking tot de basisregistratie het recht uitoefent op rectificatie van gegevens, bedoeld in artikel 16 van Pro de verordening, of op wissing van gegevens, bedoeld in artikel 17, eerste lid, aanhef en onderdeel d, van de verordening, bevat de aan te brengen wijzigingen.
2.       Het college van burgemeester en wethouders geeft aan het verzoek, bedoeld in het eerste lid, uitvoering met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens deze afdeling.
(…)
Artikel 2.60
Een beslissing van het college van burgemeester en wethouders om:
a.       aan een aangifte geen of slechts ten dele gevolg te geven;
b.       een gegeven over de burgerlijke staat niet op te nemen, dan wel een geschrift daarover dat als akte is aangeboden niet als zodanig aan te merken;
c.       een gegeven over de nationaliteit niet op te nemen;
(…)
g.       niet te voldoen aan een verzoek als bedoeld in de artikelen 2.55 tot en met 2.59, wordt gelijkgesteld met een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht.