Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2026:3665

Raad van State

Datum uitspraak
24 juni 2026
Publicatiedatum
24 juni 2026
Zaaknummer
202408039/2/R1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:46 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging bestemmingsplan en omgevingsvergunning Koggenland - Luitje Broekemastraat wegens onvoldoende parkeeronderzoek

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft bij uitspraak van 24 juni 2026 het bestemmingsplan "Koggenland - Luitje Broekemastraat 2024" en de daarbij behorende omgevingsvergunning vernietigd. Dit naar aanleiding van een eerdere tussenuitspraak waarin de raad werd opgedragen een gebrek in het besluit te herstellen.

Het bestemmingsplan voorziet in de bouw van twee appartementencomplexen met sociale en middeldure huurwoningen en een maatschappelijke voorziening, inclusief een parkeerplaats die ook de nabijgelegen sportschool bedient. De raad had aanvankelijk onvoldoende onderbouwd dat het plan niet zou leiden tot onaanvaardbare parkeeroverlast, omdat het parkeerterrein al volledig benut werd en de berekende parkeerbehoefte hoger was dan het aantal beschikbare plekken.

Ter uitvoering van de tussenuitspraak voerde de raad een nieuw parkeerdrukonderzoek uit in januari 2026, waarbij op meerdere dagen en tijdstippen werd geteld. Dit onderzoek toonde aan dat er voldoende parkeerplaatsen beschikbaar zijn, ook met de uitbreiding van het parkeerterrein. Appellanten maakten geen gebruik van de mogelijkheid tot het indienen van zienswijzen tegen deze aanvullende motivering.

Desondanks vernietigt de Afdeling het bestemmingsplan en de omgevingsvergunning wegens strijd met artikel 3:46 van Pro de Algemene wet bestuursrecht, maar behoudt zij de rechtsgevolgen van deze besluiten zodat de ontwikkeling kan doorgaan. De raad en het college van burgemeester en wethouders van Purmerend worden verplicht de betaalde griffierechten aan appellanten te vergoeden.

Uitkomst: Het bestemmingsplan en de omgevingsvergunning worden vernietigd wegens onvoldoende onderbouwing van de parkeerdruk, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.

Uitspraak

202408039/2/R1.
Datum uitspraak: 24 juni 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
1.       [appellant sub 1] en anderen, allen wonend in Purmerend,
2.       [appellant sub 2], wonend in Purmerend,
appellanten,
en
1.       het college van burgemeester en wethouders van Purmerend,
2.       de raad van de gemeente Purmerend,
verweerders.
Procesverloop
Bij tussenuitspraak van 12 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:6167, heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen 20 weken na verzending van de tussenuitspraak het daarin omschreven gebrek in het besluit van 24 oktober 2024 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Koggenland - Luitje Broekemastraat 2024" te herstellen.
Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft de raad een nadere motivering voor het bestreden besluit gegeven.
Appellanten zijn in de gelegenheid gesteld een zienswijze naar voren te brengen. Zij hebben daar geen gebruik van gemaakt.
De Afdeling heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en heeft vervolgens het onderzoek gesloten.
Overwegingen
De tussenuitspraak
1.       Het plan biedt een planologische regeling voor het oprichten van een appartementencomplex met 53 sociale huurwoningen en een maatschappelijke voorziening in de plint aan het Koggenland en een appartementencomplex met 11 middeldure huurwoningen aan de Luitje Broekemastraat 35-55. Op het terrein van het plangebied Koggenland ligt ook een parkeerplaats, die voorziet in de parkeerbehoefte van een sportschool die direct naast dit plangebied staat.
Bij besluit van 19 november 2024 heeft het college van burgemeester en wethouders van Purmerend een omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van een appartementencomplex en een maatschappelijke voorziening aan het Koggeland 88A - 88P, 90A - 90V en 92A - 92V en voor een appartementencomplex en het aanleggen van een inrit aan de Luitje Broekmastraat 35 - 55.
Deze besluiten zijn gecoördineerd voorbereid.
2.       In de tussenuitspraak, onder 13.4, heeft de Afdeling overwogen dat de raad op basis van de berekende parkeerbehoefte van de woningen en de maatschappelijk voorziening die het plan mogelijk maakt en de nabijgelegen sporthal heeft gesteld dat 123 parkeerplekken nodig zijn. Het aantal parkeerplekken op de hierboven genoemde parkeerplaats zou volgens de raad worden uitgebreid van 69 naar 124. De raad heeft echter niet bestreden dat het bestaande parkeerterrein volledig wordt benut. Uitgaande van een volledige bezetting van het huidige parkeerterrein, zouden op grond van de berekening van de benodigde plekken voor de woningen en de maatschappelijke voorziening meer parkeerplekken nodig zijn dan de 124 plekken waarvan de raad uitgaat, namelijk 141. Dit aantal is de opstelsom van 71 (woningen), 1 (maatschappelijke voorziening) en 69 (bestaande plekken). De Afdeling heeft gelet daarop overwogen dat de raad onvoldoende inzichtelijk had gemaakt dat in de maatgevende periode en onder representatieve omstandigheden het plan niet leidt tot onaanvaardbare parkeeroverlast.
Herstel
3.       Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft de raad een actueel parkeerdrukonderzoek uitgevoerd. De raad heeft daarbij gesteld dat voor het plandeel Koggenland de meting, zoals die als bijlage 10 bij de toelichting van het bestemmingsplan was gevoegd, geen representatief beeld gaf, omdat destijds maar op één dag, namelijk 8 maart 2020, een meting is gedaan. Op dat moment was de voormalige - inmiddels gesloopte - bebouwing tegenover de sporthal nog aanwezig en in gebruik, zodat ook al daarom deze meting niet representatief is. Verder vond op 8 maart 2020 in de sporthal een rommelmarkt plaats van 9.30 tot 16.30 uur. Omdat dit soort evenementen slechts vier keer per jaar, en dus incidenteel, plaatsvindt in de sporthal, is de meting op deze dag volgens de raad ook hierom niet representatief voor het bepalen van de gemiddelde parkeerdruk op het parkeerterrein. In deze meting zijn tot slot alleen de 69 reguliere parkeerplaatsen meegenomen, terwijl het parkeerterrein inclusief invalideplaatsen 72 parkeerplaatsen telt.
3.1.    Om alsnog een representatief beeld te krijgen van de gemiddelde parkeerdruk op het parkeerterrein, is er over een periode van twee opeenvolgende weken in januari 2026 (week 3 en week 4) onderzocht hoeveel parkeerplaatsen bezet zijn. Er is geteld op verschillende dagen en op verschillende tijdstippen. In deze onderzoeksperiode werd de sporthal representatief gebruikt en er vonden er geen incidentele evenementen in de sporthal plaats. In week 3 was de hoogst gemeten druk 39 bezette plekken, op donderdagavond tussen 21.00 en 22.00 uur. In week 4 was de druk het hoogst op zaterdagmiddag, tussen 14.00 en 15.00 uur. Toen waren 51 plekken bezet Het voorgaande betekent volgens de raad dat er in de maatgevende periode voldoende ruimte is om, met de uitbreiding van 72 naar 124 parkeerplekken, in de berekende parkeerbehoefte te voorzien. Het plan leidt daarom  niet tot onaanvaardbare parkeeroverlast, aldus de raad.
3.2.    Appellanten hebben naar aanleiding van de aanvullende motivering van de raad geen zienswijze ingediend. De Afdeling leidt hieruit af dat zij hiertegen geen bezwaren hebben. Daarom bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de aanvullende motivering niet toereikend is.
Conclusie en slotoverwegingen
4.       Gelet op wat is overwogen in de tussenuitspraak zijn de beroepen van [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] voor zover gericht tegen het plan gegrond. Het bestreden besluit van 24 oktober 2024 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Koggenland - Luitje Broekemastraat 2024" moet wegens strijd met artikel 3:46 van Pro de Algemene wet bestuursrecht worden vernietigd.
Conclusie bestemmingsplan
5.       Omdat de raad de motivering van het besluit van 24 oktober 2024 heeft aangevuld en daarmee het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek heeft hersteld, ziet de Afdeling aanleiding te bepalen dat de rechtsgevolgen van het besluit van 24 oktober 2024 in stand blijven. Dat betekent dat de voorziene ontwikkeling is toegestaan.
De omgevingsvergunning
6.       De Afdeling heeft in de tussenuitspraak, onder 5, overwogen dat appellanten geen afzonderlijke beroepsgronden tegen de verleende omgevingsvergunning hebben aangevoerd. Gelet op het geconstateerde gebrek in het plan en het gegeven dat het plan bepalend kan zijn voor de vraag of de omgevingsvergunning terecht is verleend, kan pas in deze einduitspraak een oordeel over de omgevingsvergunning worden gegeven.
6.1.    De omgevingsvergunning is gecoördineerd met de vaststelling van het bestemmingsplan tot stand gekomen. Omdat het bestemmingsplan het toetsingskader heeft gevormd voor de omgevingsvergunning en dat bestemmingsplan naar aanleiding van de beroepen moet worden vernietigd, moet ook het besluit tot verlening van de omgevingsvergunning van 19 juni 2024 worden vernietigd. De beroepen tegen de omgevingsvergunning zijn gegrond.
6.2.    De Afdeling ziet gelet op wat zij onder 5 heeft overwogen aanleiding te bepalen dat de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit tot verlening van de omgevingsvergunning in stand blijven. Dit betekent dat gebruik kan worden gemaakt van die omgevingsvergunning.
Proceskosten
7.       De raad hoeft geen proceskosten te vergoeden, omdat van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen niet is gebleken.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart de beroepen gegrond;
II.       vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Purmerend van 24 oktober 2024 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Koggenland - Luitje Broekemastraat 2024" én het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Purmerend van 19 november 2024, kenmerk Z2023-00005013;
III.      bepaalt dat de rechtsgevolgen van de onder II genoemde besluiten in stand blijven;
IV.     gelast dat de raad en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Purmerend gezamenlijk aan:
- [appellant sub 1] en anderen het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht van € 187,00 vergoeden, met dien verstande dat bij betaling aan een van hen aan de betalingsverplichting is voldaan;
- [appellant sub 2] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht van € 187,00 vergoeden.
Aldus vastgesteld door mr. A. ten Veen, voorzitter, en mr. C.J. Borman en mr. C.H. Bangma, leden, in tegenwoordigheid van mr. W.S. van Helvoort, griffier.
w.g. Ten Veen
voorzitter
w.g. Van Helvoort
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2026
361