ECLI:NL:RVS:2026:3675

Raad van State

Datum uitspraak
24 juni 2026
Publicatiedatum
24 juni 2026
Zaaknummer
202402902/1/R2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6.1 onder j bestemmingsplanArt. 8:109 lid 2 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging rechtbankuitspraak over uitleg begrip verdieping in bestemmingsplan Breda

Het college van burgemeester en wethouders van Breda legde aan de eigenaar van een pand een last onder dwangsom op omdat het bestemmingsplan wonen op de begane grond niet toestaat. De eigenaar betwistte dit en stelde dat hij op de entresol woont, wat volgens hem een verdieping is. De rechtbank oordeelde dat het begrip 'verdieping' niet in het bestemmingsplan is gedefinieerd en sloot aan bij het algemeen spraakgebruik, waarbij de etage voor wonen als verdieping wordt beschouwd. Het college ging hiertegen in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De Afdeling toetste het oordeel van de rechtbank en vond dat het college onvoldoende had toegelicht waarom het oordeel onjuist zou zijn. Daarom verklaarde de Afdeling het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Tevens werd bepaald dat het college griffierecht moet betalen en geen proceskosten vergoed krijgt.

Deze uitspraak benadrukt het belang van het algemeen spraakgebruik bij de uitleg van niet-gedefinieerde begrippen in bestemmingsplannen en bevestigt de rechtsgeldigheid van de eerdere uitspraak van de rechtbank.

Uitkomst: Het hoger beroep van het college van burgemeester en wethouders van Breda wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitspraak

202402902/1/R2.
Datum uitspraak: 24 juni 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
het college van burgemeester en wethouders van Breda,
appellant,
tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Zeeland­-West-­Brabant van 27 maart 2024 in zaken nrs. 24/1465 en 24/1604 in het geding tussen:
[wederpartij], wonend in Breda,
en
het college.
Procesverloop
Bij besluit van 12 oktober 2023 heeft het college [wederpartij] opgedragen om de bewoning van het pand aan de [locatie] in Breda in strijd met het geldende bestemmingsplan te beëindigen en beëindigd te houden en de badkamer te verwijderen en verwijderd te houden.
Bij besluit van 24 januari 2024 heeft het college het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 27 maart 2024, ECLI:NL:RBZWB:2024:2053, heeft de rechtbank het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 24 januari 2024 vernietigd en zelf voorziend het bezwaar van [wederpartij] tegen het besluit van 12 oktober 2023 gegrond verklaard, dat besluit herroepen en bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.
Tegen deze uitspraak heeft het college hoger beroep ingesteld.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 11 mei 2026, waar het college, vertegenwoordigd door drs. W.H. Renger, is verschenen.
Overwegingen
1.       Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Voor de beoordeling van het hoger beroep blijft het recht zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing.
Inleiding
2.       [wederpartij] is sinds 2013 eigenaar van het pand en staat sinds 2015 ingeschreven als bewoner van het pand. Hij gebruikt het pand voor zijn bedrijfsactiviteiten en woont daar. Het college heeft [wederpartij] een last onder dwangsom opgelegd, omdat het bestemmingsplan wonen op de begane grond niet toestaat. [wederpartij] is het daar niet mee eens. Volgens hem woont hij niet op de begane grond, maar op de entresol wat volgens hem een verdieping is.
2.1.    In hoger beroep gaat het alleen over de vraag of het oordeel van de rechtbank over de uitleg van de planregels juist is en meer in het bijzonder de uitleg van het begrip "verdieping".
De Afdeling sluit aan bij het oordeel van de rechtbank
3.       De rechtbank heeft gemotiveerd geoordeeld dat het college ten onrechte heeft gesteld dat [wederpartij] niet mag wonen in het pand. De rechtbank heeft vastgesteld dat in het bestemmingsplan geen omschrijving is opgenomen van het begrip ‘verdieping’, als bedoeld in artikel 6.1, onder j, van het bestemmingsplan. Omdat het begrip ‘verdieping’ niet nader is gedefinieerd, heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij het algemeen spraakgebruik en geoordeeld dat de voor wonen gebruikte etage moet worden aangeduid als verdieping. Wat het college daartegen in hoger beroep heeft aangevoerd, geeft geen aanleiding om de uitspraak van de rechtbank te vernietigen. Het college heeft onvoldoende toegelicht waarom het oordeel van de rechtbank op dit punt onjuist is.
Conclusie
4.       Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen.
5.       Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
6.       Gelet op artikel 8:109, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt griffierecht van het college geheven.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen;
II.       bepaalt dat van het college van burgemeester en wethouders van Breda een griffierecht van € 559,00 wordt geheven.
Aldus vastgesteld door mr. C.C.W. Lange, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.M. Ahmady-Pikart, griffier.
w.g. Lange
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Ahmady-Pikart
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2026
638-1186