AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Beoordeling bewijsvermoeden en schadevergoeding mijnbouwschade woning Winschoten
Appellant, eigenaar van een woning in Winschoten, vroeg vergoeding aan voor mijnbouwschade. Het Instituut kende aanvankelijk een beperkte vergoeding toe en verklaarde bezwaar ongegrond. De rechtbank stelde een aanvullende schadevergoeding vast en vernietigde het bezwaarbesluit deels. Appellant ging in hoger beroep tegen deze uitspraak.
De Afdeling bestuursrechtspraak beoordeelde het bewijsvermoeden van artikel 6:177a BW en het geactualiseerde beoordelingskader van het Instituut. Zij concludeerde dat het Instituut het bewijsvermoeden voor schades aan binnen- en buitengevels met succes heeft weerlegd door thermische werking en het ontbreken van dilataties als uitsluitende oorzaken aan te wijzen. De stellingen van appellant over onvoldoende onderzoek, slechte foto’s en cirkelredeneringen werden verworpen.
Verder oordeelde de Afdeling dat het gelijkheidsbeginsel niet strekt tot het toekennen van hogere vergoedingen, omdat elke schade op eigen merites wordt beoordeeld. Ook het zorgvuldigheidsbeginsel en de hoorplicht werden niet geschonden. Ten aanzien van de wettelijke rente is geoordeeld dat het Instituut deze vanaf de schademelding mag berekenen, tenzij aannemelijk wordt gemaakt dat de schade eerder ontstond, wat hier niet het geval was.
De Afdeling verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank, waarbij het Instituut geen proceskosten hoeft te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitspraak
202504432/1/A2.
Datum uitspraak: 24 juni 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in Winschoten, gemeente Oldambt,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 25 juni 2025 in zaak nr. 23/764 in het geding tussen:
[appellant]
en
Instituut Mijnbouwschade Groningen.
Procesverloop
Bij besluit van 3 december 2021 heeft het Instituut Mijnbouwschade Groningen (het Instituut) aan [appellant] voor mijnbouwschade aan zijn woning een vergoeding van € 2.821,53, inclusief bijkomende kosten en wettelijke rente, toegekend.
Bij besluit van 4 januari 2023 heeft het Instituut het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 25 juni 2025 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 4 januari 2023 gedeeltelijk vernietigd, de rechtsgevolgen voor schade 27 in stand gelaten en bepaald dat de aan [appellant] toe te kennen aanvullende schadevergoeding voor de schades 1, 2, 5, 6, 8, 10, 11, 13, 14 en 17 € 6.685,88 bedraagt, te vermeerderen met btw en wettelijke rente vanaf 14 mei 2020 tot aan de dag van uitbetaling.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
Het Instituut heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellant] heeft een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 19 maart 2026, waar [appellant], bijgestaan door mr. D.J. Meijer, advocaat in Groningen, vergezeld door P.J. Vrieling, deskundige, en het Instituut, vertegenwoordigd door mr. S.C. Goldbohm en mr. B.C. Rots, vergezeld door L.H.M. Nabben, deskundige, zijn verschenen.
Overwegingen
1. [appellant] is sinds 2009 eigenaar van de vrijstaande woning aan de [locatie] in Winschoten.
2. Op 14 mei 2020 heeft [appellant] een vergoeding voor fysieke mijnbouwschade aan zijn woning aangevraagd.
3. Na het in opdracht van het Instituut uitgebrachte (herziene) advies van 3 november 2021, opgesteld door deskundige K. Borger van NIVRE Calamiteiten & Projecten (NIVRE), heeft het Instituut bij besluit van 3 december 2021 een schadevergoeding van € 2.821,53, inclusief bijkomende kosten en wettelijke rente, toegekend. Het Instituut heeft op 4 januari 2023 het bezwaar onder verwijzing naar het advies van de bezwaaradviescommissie van 28 september 2022 ongegrond verklaard.
Uitspraak van de rechtbank
4. De rechtbank heeft geoordeeld dat het Instituut voor de schades 18 tot en met 30 en 32 tot en met 36 het wettelijke bewijsvermoeden dat geldt op grond van artikel 6:177a BW heeft weerlegd.
5. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat het gelijkheidsbeginsel niet zover strekt dat het Instituut gehouden is een hogere schadevergoeding toe te kennen, omdat het in andere gevallen door het verloop van de procedure niet met toepassing van het geactualiseerde beoordelingskader de invloed van trillingen op het ontstaan of de verergering van schade kon uitsluiten. Bovendien krijgt [appellant] door de uitspraak van de rechtbank een aanvullende schadevergoeding, waardoor het eventueel alsnog bestaande verschil tussen de vergoeding voor schade aan zijn woning en vergoeding voor schade aan het buurpand niet evident onredelijk is.
6. Ook heeft de rechtbank geoordeeld dat het Instituut niet in strijd heeft gehandeld met de hoorplicht. [appellant] heeft deelgenomen aan de hoorzitting. Het Instituut heeft [appellant] niet de gelegenheid ontnomen om zijn deskundige te laten deelnemen aan de hoorzitting in bezwaar. Bovendien heeft hij in beroep alsnog de gelegenheid gehad om zijn deskundige op de standpunten van het Instituut te laten reageren. De kwaliteit van de foto’s in het advies van NIVRE zijn verder niet dusdanig slecht dat dit leidt tot strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel. Bovendien heeft de door het Instituut ingeschakelde deskundige in zijn nader advies in beroep alsnog de foto’s van [appellant] bij zijn bevindingen betrokken.
Oordeel van de Afdeling
7. De Afdeling bespreekt hieronder eerst het kader aan de hand waarvan zij beoordeelt of het Instituut het bewijsvermoeden heeft weerlegd. Vervolgens beoordeelt zij de hogerberoepsgronden van [appellant].
Beoordelingskader bewijsvermoeden
8. Het bewijsvermoeden van artikel 6:177a, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) is van toepassing op de in het geding zijnde schades. Bij fysieke schade aan gebouwen en werken die naar haar aard redelijkerwijs schade zou kunnen zijn door beweging van de bodem als gevolg van de aanleg of de exploitatie van een mijnbouwwerk ten behoeve van het winnen van gas uit het Groningenveld, wordt vermoed dat die schade is veroorzaakt door de aanleg of de exploitatie van dat mijnbouwwerk.
9. Het Instituut weerlegt het bewijsvermoeden met succes als het aan de hand van een deskundigenadvies aantoont dat de schadeoorzaak aantoonbaar uitsluitend een andere is dan bodembeweging als gevolg van de aanleg of exploitatie van een mijnbouwwerk. In dat geval is het voldoende aannemelijk dat de schade niet is veroorzaakt door mijnbouwactiviteiten.
10. Een deskundige kan een andere oorzaak dan mijnbouwactiviteiten aanwijzen. Een deskundige mag ook meerdere, al dan niet samenhangende en mijnbouwactiviteiten uitsluitende oorzaken voor het ontstaan van schade aanwijzen. Indien duidelijk is dat een van de genoemde oorzaken de schade heeft veroorzaakt, is voldaan aan het criterium dat voldoende aannemelijk is dat de schade niet door bodembeweging is ontstaan. Als er meerdere oorzaken zijn waaronder mogelijk ook bodembeweging door mijnbouwactiviteiten, dan is het bewijsvermoeden niet weerlegd. Zie de uitspraak van de Afdeling van 24 februari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:374, onder 75.
11. De Afdeling verwijst voor de toepassing van het wettelijke bewijsvermoeden in bestuursrechtelijke context verder naar onder meer de uitspraak van de Afdeling van 8 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1631, onder 30-40. Van het Instituut wordt niet gevraagd dat het met 100% zekerheid kan uitsluiten dat de schade is ontstaan en/of verergerd door bodembeweging door mijnbouwactiviteiten. Zie de uitspraak van de Afdeling van 24 februari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:374, onder 69. Er is sprake van een voldoende grote mate van zekerheid wanneer de schade zeer waarschijnlijk is veroorzaakt door een andere uitsluitende oorzaak dan mijnbouwactiviteiten. Zie de uitspraak van de Afdeling van 11 januari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:96, onder 75.
12. Sinds 1 juli 2021 hanteert het Instituut voor de toepassing van het wettelijke bewijsvermoeden een geactualiseerd en aangevuld kader voor de beoordeling van fysieke schade door deskundigen. Dit is neergelegd in de Praktische Uitwerking Tijdelijke wet Groningen voor Deskundigen. Zie de hiervoor genoemde uitspraak van 8 juni 2022, onder 55-58. Als de deskundige heeft geconstateerd dat er een autonome oorzaak voor de schade bestaat, moet hij aanvullend nagaan of het aannemelijk is dat trillingen door aardbevingen de schade toch hebben veroorzaakt of hebben verergerd. Het advies van ir. P.C. van Staalduinen en ing. H.J. Everts van 16 december 2020 ziet op de beoordeling van schade als gevolg van zettingen en heeft voor de beantwoording van die vraag een vaste plaats gekregen. Voor de aanvullende beoordeling van schades die niet verband houden met zettingen of die het gevolg zijn van zettingen die niet zijn veroorzaakt door aardbevingen, hanteert het Instituut de SBR Trillingsrichtlijn A: schade aan gebouwen uit 2017. Het Instituut geeft hiermee nader invulling aan het wettelijke bewijsvermoeden voor de beoordeling van de vraag of schade uitsluitend een andere oorzaak dan bodembeweging door mijnbouwactiviteiten heeft. Dit is dus aanvullend op de vraag of er een andere uitsluitende oorzaak bestaat. De Afdeling acht dit aanvaardbaar. Zie de hiervoor genoemde uitspraak van 8 juni 2022, onder 88.
13. Verder mag het Instituut afgaan op een advies van de door hem ingeschakelde deskundige als het zich van de zorgvuldigheid ervan heeft vergewist en ook is nagegaan of het advies de hoge bewijsmaatstaf haalt en evident een andere autonome oorzaak dan bodembeweging als uitsluitende oorzaak van de schade aanwijst. Als het Instituut het bewijsvermoeden heeft weerlegd, is het vervolgens aan de aanvrager om concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren te brengen. De bestuursrechter beoordeelt vervolgens aan de hand van de aangevoerde gronden of het bewijsvermoeden evident en aantoonbaar is weerlegd en dus of het Instituut aan zijn bewijslast heeft voldaan en zijn besluitvorming op de adviezen mocht baseren. Bij onvoldoende zekerheid of vanwege het verloop van de procedure, kan de bestuursrechter partijen in de gelegenheid stellen nader bewijs te leveren. Ook kan de bestuursrechter een externe deskundige inschakelen om zich te laten voorlichten over de vraag of het Instituut aan zijn bewijslast heeft voldaan. Zie de hiervoor genoemde uitspraak van 8 juni 2022, onder 92-94.
Schades binnengevels
14. [appellant] betoogt onder verwijzing naar het tegenadvies van Vergnes Expertise BV van 11 februari 2025 dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het Instituut het bewijsvermoeden voor de schades 18 tot en met 30 en 32 tot en met 36 heeft weerlegd. Volgens hem zijn er geen berekeningen verricht om de tempratuur- en vochtverschillen vast te stellen. Daarom kan ook niet worden vastgesteld dat thermische werking de oorzaak van de scheuren is. Het scheurverloop is ook niet in overeenstemming met de aangewezen oorzaak. Bovendien ontstaan scheuren vooral in de eerste jaren na de bouw van de woning als gevolg van drogingskrimp. Hij wijst er daarnaast op dat de door het Instituut ingeschakelde deskundigen geen destructief onderzoek hebben gedaan. Daardoor kan niet vastgesteld worden dat het ontbreken van dilatatievoegen de oorzaak is van de schades. Bovendien bedient deskundige Nabben zich van een cirkelredenering door de oorzaak af te leiden uit het schadebeeld, waarna hij datzelfde schadebeeld verklaart aan de hand van de afgeleide schadeoorzaak. Verder is het bij schades 20 en 23 onwaarschijnlijk dat het gebruik van optrekbeugels leidt tot extra spanningen.
14.1. De schades 18 tot en met 30 en 32 tot en met 36 betreffen scheuren in de binnengevels. Schades 18 tot en met 32 zijn scheuren in de kalkzandstenen binnenwanden. Bij de schades 33 tot en met 36 gaat het om scheuren in de binnenwanden die van cellenbeton zijn.
14.2. De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat het Instituut onder verwijzing naar het advies van 3 november 2021, de in bezwaar gegeven toelichting door deskundige L. Nabben van NIVRE (thans werkzaam bij: D.O.G. Ingenieurs) en het in beroep overgelegde nadere advies van deskundige Nabben van 31 oktober 2024 het bewijsvermoeden voor de schades aan de binnengevels heeft weerlegd. De door het Instituut ingeschakelde deskundigen hebben navolgbaar toegelicht dat thermische werking de oorzaak van deze schades is. Anders dan [appellant], leest de Afdeling in die toelichting geen cirkelredenering, maar een aan de hand van falsificatie beredeneerde onderbouwing van de schadeoorzaak.
14.3. De deskundigen hebben toegelicht dat thermische en hygrische werking het uitzetten en krimpen van materiaal onder invloed van tempratuur- en vochtwisselingen is. Wanneer in de wanden geen dilatatievoegen zijn aangebracht om het krimpen en uitzetten op te vangen, ontstaan scheuren op de zwakste plekken, bijvoorbeeld bij raam- en deuropeningen. Bij cellenbeton ontstaat een grote hoeveelheid kleine gesloten cellen met daarin lucht. Het materiaal is ook poreuzer dan kalkzandsteen. Cellenbeton is daardoor nog gevoeliger voor vocht- en tempratuurveranderingen, waardoor de kans op scheuren groter is. Daarmee hebben de door het Instituut ingeschakelde deskundigen navolgbaar een andere uitsluitende oorzaak voor het ontstaan van de scheuren aangewezen. Daarbij komt dat [appellant] ook heeft erkend dat de scheuren terugkeren na herstel, wat erop duidt dat het voortdurende proces van thermische en hygrische werking in combinatie met het ontbreken van dilataties de schadeoorzaak is.
14.4. Bovendien heeft deskundige Nabben in het in beroep overgelegde nadere advies van 31 oktober 2024 gewezen op de verwerkingsrichtlijn van Calduran voor kalkzandstenen wanden en wat betreft de wandvlakken van cellenbeton op de dilatatierichtlijn in de Ytong bouwwijzer. Uit de verwerkingsrichtlijn van Calduran voor kalkzandstenen wanden volgt onweersproken dat bij de uitvoering (detailleringen) in geval van sparingen voor deuren of ramen in het algemeen minimaal aan één zijde moet worden gedilateerd. Daarbij moet rekening worden gehouden met de wandsoort (dragend/niet dragend), de wandlengte, de wanddikte, eventuele belemmeringen en belastingverschillen. Dat de versie van deze richtlijn uit 2004 stamt en daarmee na de bouw van de woning, doet niet af aan de verklaring voor de schades. Uit de dilatatierichtlijn in de Ytong bouwwijzer volgt dat kozijnen die kleiner zijn dan de wandhoogte tenminste aan één zijde moeten worden gedilateerd.
14.5. Verder heeft deskundige Nabben over het scheurverloop begrijpelijk toegelicht dat een scheur als gevolg van verhinderde vervorming bouwtechnisch bezien doorgaans geen recht verloopt kent. Scheurvorming in de afwerking ontstaat veelal op kwetsbare doorsnedes, bijvoorbeeld bij de sparing of in een wandvlak bij een wand zonder sparingen. Verder is het verloop van de scheur afhankelijk van de plaatselijke weerstand tegen scheuren in een steenachtige wand. De afwerking van het stucwerk, de toegepaste stenen en de voegmortel hebben ieder een eigen breuksterkte, wat maakt dat een scheur praktisch nimmer een zuiver verticaal en geheel rechtlijnig verloop heeft. Ook is de bouwmassa boven en onder een raamkozijn van verschillende omvang, waardoor een scheur zich bij het beschreven schademechanisme niet bij uitstek over de gehele wandhoogte voordoet. [appellant] heeft hier onvoldoende tegenovergesteld.
14.6. De blote stelling van [appellant] dat niet vastgesteld zou kunnen worden dat dilataties ontbreken, omdat daarvoor destructief onderzoek nodig zou zijn, geeft geen aanleiding om te twijfelen aan de adviezen van de door het Instituut ingeschakelde deskundigen. Daarover heeft deskundige Nabben in een nader advies van 26 februari 2026 toegelicht dat door goede waarneming van de kenmerken en het beoordelen en verklaren van het scheurverloop goed is vast te stellen of de achterliggende wand is voorzien van een dilatatie. Wanneer de stucwerkafwerklaag bij de schades aan het interieur niet is onderbroken of star over een dilatatie (bouwfysische onderbreking) op de steenachtige wand is aangebracht, zou juist bij lengteverandering van het bouwdeel op de locatie van de dilatatie een rechtlijnige scheur ontstaan. Bovendien moeten, bij het aanbrengen van dilataties, de dilataties worden doorgezet in alle afwerkingen, waaronder de stuclaag. Destructief onderzoek is daarom niet noodzakelijk om te verklaren of er een dilatatie in het bouwdeel is aangebracht. [appellant] heeft bovendien zelf ook niet aan de hand van bijvoorbeeld foto’s of bouwtekeningen onderbouwd dat de wanden wel zijn gedilateerd.
14.7. Dat er verder geen berekening van de temperatuur- en vochtverschillen heeft plaatsgevonden, leidt evenmin tot twijfel aan de adviezen van de door het Instituut ingeschakelde deskundigen. Deskundige Nabben heeft in het nadere advies navolgbaar toegelicht dat dergelijke berekeningen in dit geval niet noodzakelijk zijn om de schadeoorzaak vast te stellen. In dit geval volstaat bestudering van de kenmerken van de scheuren, de toegepaste materialen en bouwwijze, de afwerking en de wederkerigheid van de scheuren na (provisorisch) herstel om de schadeoorzaak vast te stellen. Daar komt bij dat van een deskundige niet wordt gevergd dat hij met 100% zekerheid uitsluit dat de schade is ontstaan en/of verergerd door bodembeweging door mijnbouwactiviteiten. Onomstotelijk bewijs voor het bestaan van een autonome oorzaak is niet noodzakelijk. Er moet een hoge mate van zekerheid zijn, maar niet 100% of natuurwetenschappelijke zekerheid. Berekeningen kunnen het beschreven schademechanisme illustreren en zijn niet bedoeld als een noodzakelijke en uitputtende verklaring daarvan. Vgl. de uitspraak van de Afdeling van 10 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4320, onder 106.
14.8. Verder volgt de Afdeling de door deskundige Nabben in hoger beroep gegeven toelichting dat drogingskrimp, krimp en uitzetting als gevolg van thermische werking niet uitsluit. Bij drogingskrimp verliest het materiaal het vocht dat gedurende het bouwproces aan een bouwdeel is toegevoegd en/of wat aan vocht heeft kunnen toetreden door weersinvloeden. Thermische- en hygrische lengteverandering van bouwdelen in de woning zijn het gevolg van wisselingen in de temperatuur en (lucht)vochtigheid. Dat is een voortdurend proces. Dilataties worden aangebracht om de gevolgen van dit proces op te vangen. Ook de stelling dat de temperatuur in de woning van [appellant] constant is, waardoor geen thermische werking plaats zou kunnen vinden, leidt niet tot een ander oordeel. Deskundige Nabben heeft navolgbaar en onweersproken toegelicht dat voor zover de tempratuurschommelingen al beperkt worden, krimp en uitzetting ook onder invloed van vochtwisselingen plaatsvindt.
14.9. Tot slot merkt de Afdeling over de optrekbeugels bij schades 20 en 23 op dat volgens de door het Instituut ingeschakelde deskundigen ook daar thermische werking de oorzaak is. De extra spanning van de optrekbeugels draagt bij aan de scheurvorming die is ontstaan op de zwakke plekken ter plaatse. Dat geen sprake zou zijn van extra spanning is niet aannemelijk, omdat het gebruik daarvan zorgt voor meer trekkracht door toename van het gewicht aan de muur.
14.10. Het betoog slaagt niet.
Schades buitengevels
15. [appellant] betoogt verder dat de rechtbank ten onrechte impliciet heeft geoordeeld dat het Instituut voor de schades 3, 4, 7, 9, 12, 15 en 16 het bewijsvermoeden heeft weerlegd. Daarbij wijst hij erop dat het gaat om schades in de buitengevel waarvoor de door het Instituut ingeschakelde deskundigen het ontbreken van dilataties als schadeoorzaak hebben aangewezen. De rechtbank heeft over andere schades in de buitengevels geoordeeld dat deze verklaring onvoldoende is om het bewijsvermoeden te weerleggen.
15.1. De schades 3, 4, 7, 9, 12, 15 en 16 betreffen scheuren in de buitengevels die bestaan uit betonstenen.
15.2. De Afdeling stelt vast dat [appellant] de oorzaak die de door het Instituut ingeschakelde deskundige voor deze schades heeft aangewezen niet eerder heeft bestreden. Verder stelt de Afdeling vast dat bij de andere schades in de buitengevel voor het oordeel van de rechtbank van belang was dat onvoldoende was onderzocht of het scheurpatroon verklaard kon worden door werking van de lateien.
15.3. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het Instituut onder verwijzing naar het advies van 3 november 2021 het bewijsvermoeden voor de onderhavige schades aan de buitengevels weerlegd. In de schades die thans voorliggen hebben de door het Instituut ingeschakelde deskundigen eensluidend en navolgbaar de combinatie van thermische werking met het ontbreken van dilataties als schadeoorzaak aangewezen. Daarbij is toegelicht dat betonstenen anders dan gebakken gevelstenen minder krimp door tempratuur- en/of vochtschommelingen kunnen opnemen. De betonstenen gaan daardoor sneller uitzetten en krimpen. Het ontbreken van dilataties om deze werking op te vangen heeft tot gevolg dat er scheuren ontstaan. Bovendien heeft ook de eigen door [appellant] ingeschakelde deskundige in zijn advies van 4 april 2022 geconcludeerd dat de schades niet door mijnbouwactiviteiten zijn veroorzaakt. [appellant] heeft geen ander advies overgelegd waaruit blijkt dat getwijfeld moet worden aan de adviezen van de door het Instituut ingeschakelde deskundigen.
15.4. Het betoog slaagt niet.
Gelijkheidsbeginsel
16. [appellant] betoogt verder dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het Instituut niet in strijd heeft gehandeld met het gelijkheidsbeginsel. Volgens hem heeft het Instituut voor vergelijkbare schades aan dezelfde woning van zijn buren wel een vergoeding toegekend. Bovendien betoogt hij dat het gelijkheidsbeginsel een bredere werking heeft. Daarbij wijst hij erop dat met de vergoeding van vergelijkbare schades aan een vergelijkbare woning van zijn buren het Instituut een vaste gedragslijn heeft ontwikkeld, waarop hij een beroep kan doen. In dat kader verwijst hij ook naar de opdracht aan het Instituut om ruimhartig te zijn. Ook wijst hij erop dat het gelijkheidsbeginsel contra legem kan werken.
16.1. De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat het Instituut niet in strijd heeft gehandeld met het gelijkheidsbeginsel. Daarbij is van belang dat iedere schade op zijn eigen merites wordt beoordeeld. Dat het Instituut voor vergelijkbare schades bij een vergelijkbare woning wel een vergoeding heeft toegekend, betekent dus niet dat het Instituut voor de schades van de woning van [appellant] geen andere mijnbouwactiviteiten uitsluitende oorzaak kan aanwijzen.
16.2. Bovendien heeft het Instituut de vergoede schades aan het buurpand in dit geval ter vergelijking voorgelegd aan deskundige Nabben. Deskundige Nabben heeft daarover in het in beroep overgelegde nadere advies van 31 oktober 2024 geconcludeerd dat een aantal schades waarvoor een vergoeding is toegekend niet overeenkomen. Voor schades die wel (gedeeltelijk) vergelijkbaar zijn en waarvoor bij de buren een vergoeding is toegekend, is volgens Nabben ten onrechte geen mijnbouwactiviteiten uitsluitende oorzaak aangewezen. Daarover heeft het Instituut toegelicht dat een deskundige in het verleden de autonome oorzaak achterwege liet als hij de invloed van trillingen op de schades niet kon uitsluiten. Inmiddels wordt aan de hand van het door de Afdeling aanvaardbaar geachte geactualiseerde kader beoordeeld of de schades onder invloed van trillingen kunnen zijn ontstaan of verergerd. De woning van de buren van [appellant] is beoordeeld voordat het geactualiseerde kader werd gehanteerd, waardoor deze anders is beoordeeld. Het gelijkheidsbeginsel strekt niet zo ver dat het Instituut gehouden is om schades waarvoor het eerder ten onrechte een vergoeding heeft toegekend, ook in dit geval waarin nadrukkelijk de invloed van trillingen op de schade kan worden uitgesloten, te vergoeden.
16.3. De Afdeling merkt nog op dat de vergoeding van schade in één incidenteel geval onvoldoende is om te concluderen dat het Instituut een vaste gedragslijn hanteert. Dat het gelijkheidsbeginsel contra legem kan werken of dat het Instituut de opdracht heeft gekregen om ruimhartig schadevergoeding toe te kennen, biedt onvoldoende grond om te concluderen dat het Instituut in dit geval in strijd met het gelijkheidsbeginsel heeft gehandeld.
16.4. Het betoog slaagt niet.
Zorgvuldigheidsbeginsel
17. [appellant] betoogt verder dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de besluitvorming niet in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel en het beginsel van hoor en wederhoor. Volgens hem zijn de foto’s van slechte kwaliteit en kan op basis daarvan niet het schadebeeld en de oorzaak worden vastgesteld. Ook is hij niet geïnformeerd dat hij bij de hoorzitting in bezwaar een deskundige mee mocht nemen.
17.1. De Afdeling stelt vast dat deze grond van [appellant] zo goed als een herhaling is van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die grond ingegaan. [appellant] heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die grond in de uitspraak van de rechtbank onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 13.2 opgenomen overweging, waarop dat oordeel is gebaseerd. Zij voegt daaraan nog toe dat de beoordeling van de schades niet louter berust op foto’s, maar dat deskundige Borger eerst de schades visueel heeft opgenomen. Van een vormfout is evenmin sprake, omdat de rechtbank niet een gebrek heeft geconstateerd dat hersteld moest worden of gepasseerd is.
17.2. Het betoog slaagt niet.
Wettelijke rente
18. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de aanvullende schadevergoeding vermeerderd moet worden met de wettelijke rente te rekenen vanaf 14 mei 2020. Volgens hem moet de rente worden vergoed vanaf het moment van de onrechtmatige daad en dus vanaf het moment van de schadeveroorzakende gebeurtenis. Omdat de beving van Huizinge de meest waarschijnlijke schadeveroorzakende gebeurtenis is, moet de wettelijke rente berekend worden vanaf 16 augustus 2012.
18.1. Op grond van de Tijdelijke wet Groningen voert het Instituut zijn taken en bevoegdheden uit met toepassing van de bepalingen van het BW. Volgens artikel 6:119, eerste lid, van het BW bestaat de schadevergoeding, verschuldigd wegens vertraging in het voldoen van een geldsom, in de wettelijke rente van die som over de tijd dat de schuldenaar met de voldoening daarvan in verzuim is geweest. Op grond van artikel 6:83, sub b, treedt het verzuim zonder ingebrekestelling in wanneer de verbintenis voortvloeit uit onrechtmatige daad. Een verbintenis uit onrechtmatige daad ontstaat wanneer aan de vereisten van artikel 6:162 vanPro het BW is voldaan. Daarbij is de wettelijke rente dus telkens verschuldigd vanaf het moment waarop een schadepost ontstaat. Vergelijk de uitspraak van de Hoge Raad van 1 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1198, onder 3.3.2-3.4.2.
18.2. Het Instituut berekent de wettelijke rente vanaf het moment dat de schademelding is gedaan. Daarbij gaat het Instituut bij de vergoeding van de schade uit van het prijspeil zoals dat geldt ten tijde van het opleveren van het adviesrapport door de onafhankelijke door hem ingeschakelde deskundige. Dat is het meest actuele prijspeil. Uitgegaan wordt dus van het prijspeil ten tijde van de advisering, terwijl de wettelijke rente wordt berekend vanaf het moment dat de schademelding is gedaan. De huidige handelwijze van het Instituut vereenvoudigt daarmee voor getroffenen de schadeafhandeling en zorgt ervoor dat zij ruimhartig en wat betreft de vertragingsschade toereikend worden gecompenseerd.
18.3. De Afdeling is van oordeel dat, wanneer niet vaststaat op welk moment de schadepost is ontstaan, het Instituut de schademelding als uitgangspunt mag nemen voor het berekenen van de wettelijke rente. Door daarbij uit te gaan van het actuele prijspeil wordt de benadeelde toereikend in staat gesteld om de schades te herstellen. Ook [appellant] heeft op de zitting bevestigd dat de door het Instituut gehanteerde praktijk te billijken is als het moment van het ontstaan van de schade niet kan worden vastgesteld.
18.4. Wanneer een benadeelde echter aannemelijk maakt dat de schade eerder is ontstaan, dan is het Instituut naar het oordeel van de Afdeling overeenkomstig de bepalingen van het BW gehouden de wettelijke rente te berekenen vanaf het moment van het ontstaan van de schade. Daarbij merkt de Afdeling op dat het bewijsvermoeden van artikel 6:177a, eerste lid, van het BW onverlet laat dat het aan de benadeelde is om aannemelijk te maken dat de schade is ontstaan voordat deze de vergoeding heeft aangevraagd. Het bewijsvermoeden heeft immers alleen betrekking op het causaal verband tussen de schade en de schadeveroorzakende gebeurtenis en niet op het moment van het ontstaan van de schade.
18.5. De Afdeling is van oordeel dat [appellant] in dit geval niet aannemelijk heeft gemaakt dat de schades ten tijde van de beving van Huizinge zijn ontstaan. Het Instituut mocht daarom de wettelijke rente vanaf de schademelding berekenen. [appellant] wordt door deze handelwijze van het Instituut niet tekort gedaan.
18.6. De slotsom is dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de aanvullende schadevergoeding vermeerderd moet worden met de wettelijke rente te rekenen vanaf 14 mei 2020, de dag waarop [appellant] de schade heeft gemeld.
18.7. Het betoog slaagt niet.
Conclusie
19. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
20. Het Instituut hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J.M. Willems, voorzitter, en mr. G.O. van Veldhuizen en mr. A.B. Blomberg, leden, in tegenwoordigheid van mr. C. Kouidar, griffier.