ECLI:NL:RVS:2026:3684
Raad van State
- Hoger beroep
- J.M. Willems
- G.O. van Veldhuizen
- A.B. Blomberg
- Rechtspraak.nl
Beoordeling bewijsvermoeden en schadevergoeding mijnbouwschade woning Winschoten
Appellant, eigenaar van een woning in Winschoten, vroeg vergoeding aan voor mijnbouwschade. Het Instituut kende aanvankelijk een beperkte vergoeding toe en verklaarde bezwaar ongegrond. De rechtbank stelde een aanvullende schadevergoeding vast, maar het Instituut ging hiertegen in hoger beroep.
De Afdeling bestuursrechtspraak toetste of het Instituut het wettelijke bewijsvermoeden van causale relatie tussen schade en mijnbouwactiviteiten terecht had weerlegd. Deskundigen stelden dat thermische en hygrische werking in combinatie met het ontbreken van dilataties de oorzaak was van de schades, niet bodembeweging door mijnbouw.
Appellant voerde aan dat berekeningen ontbraken en dat destructief onderzoek nodig was, maar de Afdeling vond de deskundigenadviezen navolgbaar en voldoende onderbouwd. Ook het gelijkheidsbeginsel, zorgvuldigheidsbeginsel en de berekening van wettelijke rente werden door de Afdeling afgewezen.
De Afdeling concludeerde dat het Instituut zorgvuldig had gehandeld, het bewijsvermoeden terecht had weerlegd en dat de wettelijke rente vanaf de schademelding mocht worden berekend. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.