Uitspraak
gevestigd te Amsterdam,
wonende te [woonplaats],
1.Het geding in feitelijke instanties
2.De prejudiciële procedure
3.Beantwoording van de prejudiciële vraag
4.Beslissing
1 mei 2015.
Hoge Raad
In deze prejudiciële beslissing beantwoordt de Hoge Raad de vraag over de ingangsdatum van de wettelijke rente die verschuldigd is over de door de aanbieder van effectenleaseovereenkomsten aan de afnemer te vergoeden inleg. Het geschil betreft de vraag of de rente ingaat op de dag van beëindiging van de effectenleaseovereenkomst of op de dag van betaling van elk gedeelte van de inleg.
De zaak betreft twee effectenleaseovereenkomsten die door [verweerder] met Bank Labouchere N.V. (rechtsvoorganger van Dexia) zijn gesloten en die in 2005 tussentijds zijn beëindigd. Dexia is aansprakelijk gesteld wegens schending van haar zorgplicht en onrechtmatig handelen. Het hof stelde prejudiciële vragen aan de Hoge Raad over de rente-ingangsdatum.
De Hoge Raad oordeelt dat Dexia vanaf het moment van betaling van elk gedeelte van de inleg wettelijke rente verschuldigd is, omdat zij zonder ingebrekestelling in verzuim is vanaf het moment dat de schade wordt geleden. De rente begint dus te lopen vanaf de datum van elke betaling van de inleg, niet vanaf de beëindiging van de overeenkomst. Praktische bezwaren van Dexia wegen niet op tegen het recht van de benadeelde op volledige vergoeding.
De Hoge Raad bevestigt hiermee dat de schadevergoeding de reeds betaalde termijnen en aflossingen omvat, en dat de wettelijke rente over deze bedragen verschuldigd is vanaf het moment van betaling. De beslissing benadrukt het belang van een nauwkeurige en transparante renteberekening door Dexia.
Uitkomst: De wettelijke rente over de te vergoeden inleg bij effectenleaseovereenkomsten begint te lopen vanaf het moment van betaling van elk deel van de inleg.