ECLI:NL:RVS:2026:3714

Raad van State

Datum uitspraak
2 juli 2026
Publicatiedatum
25 juni 2026
Zaaknummer
BRS.26.002538
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H.G. Sevenster
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 85 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen niet in behandeling nemen verblijfsvergunning asiel

Appellant heeft bij besluit van 9 april 2026 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de minister van Asiel en Migratie niet in behandeling is genomen. Hiertegen heeft appellant beroep ingesteld bij de rechtbank Den Haag, die dit beroep op 11 mei 2026 ongegrond verklaarde.

Appellant stelde vervolgens hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. In het hoger beroep heeft appellant echter niet toegelicht waarom de uitspraak van de rechtbank onjuist zou zijn, waardoor de Afdeling geen inhoudelijk oordeel kon geven over het hoger beroep.

De Afdeling overwoog dat er geen bijzondere omstandigheden (zoals Bahaddar-omstandigheden) aanwezig zijn die een inhoudelijke beoordeling zouden rechtvaardigen. Daarom werd het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard en werd de minister niet verplicht proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan inhoudelijke onderbouwing.

Uitspraak

BRS.26.002538
Datum uitspraak: 2 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de mondelinge uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 11 mei 2026 in zaak nr. NL26.21218 in het geding tussen:
[appellant]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 9 april 2026 heeft de minister een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Bij mondelinge uitspraak van 11 mei 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. L.J.L.M. Dacier, advocaat in Heerlen, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1.        Het hoger beroep richt zich niet tegen de uitspraak van de rechtbank. Appellant legt namelijk niet uit waarom de uitspraak van de rechtbank volgens hem niet juist is. Daarom kan de Afdeling geen inhoudelijk oordeel geven over het hoger beroep (artikel 85 van Pro de Vw 2000). Er doen zich in dit geval geen Bahaddar-omstandigheden voor als bedoeld in de uitspraak van de Afdeling van 22 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1664.
2.        Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.A. Snijders, griffier.
w.g. Sevenster
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Snijders
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 2 juli 2026
279-