ECLI:NL:RVS:2026:3714
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Sevenster
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen niet in behandeling nemen verblijfsvergunning asiel
Appellant heeft bij besluit van 9 april 2026 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de minister van Asiel en Migratie niet in behandeling is genomen. Hiertegen heeft appellant beroep ingesteld bij de rechtbank Den Haag, die dit beroep op 11 mei 2026 ongegrond verklaarde.
Appellant stelde vervolgens hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. In het hoger beroep heeft appellant echter niet toegelicht waarom de uitspraak van de rechtbank onjuist zou zijn, waardoor de Afdeling geen inhoudelijk oordeel kon geven over het hoger beroep.
De Afdeling overwoog dat er geen bijzondere omstandigheden (zoals Bahaddar-omstandigheden) aanwezig zijn die een inhoudelijke beoordeling zouden rechtvaardigen. Daarom werd het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard en werd de minister niet verplicht proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan inhoudelijke onderbouwing.