ECLI:NL:RVS:2026:3715
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen uitzetting in hoger beroep verblijfsvergunning asiel
Verzoeker heeft bij besluit van 10 december 2025 een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend, welke door de minister van Asiel en Migratie is afgewezen. Hiertegen stelde verzoeker beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 11 juni 2026 het beroep ongegrond verklaarde. Verzoeker ging vervolgens in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Tegelijkertijd verzocht verzoeker de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen, zodat hij niet uitgezet zou worden voordat op het hoger beroep was beslist en om opvang en verstrekkingen te ontvangen. De voorzieningenrechter oordeelde dat gelet op de aangevoerde omstandigheden een voorlopige voorziening passend was, waarbij verzoeker niet uitgezet mag worden zolang het hoger beroep loopt.
Daarnaast werd de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van verzoeker, een bedrag van € 934,00, toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De uitspraak werd gedaan op 29 juni 2026 door voorzieningenrechter M. Soffers.
Uitkomst: Verzoeker mag niet worden uitgezet totdat op het hoger beroep is beslist en de minister moet proceskosten vergoeden.