ECLI:NL:RVS:2026:3777
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet in behandeling nemen aanvraag verblijfsvergunning asiel
Appellant heeft bij de minister van Asiel en Migratie een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Deze aanvraag is bij besluit van 31 maart 2026 niet in behandeling genomen door de minister. Appellant heeft hiertegen beroep ingesteld bij de rechtbank Den Haag, die dit beroep op 19 juni 2026 ongegrond verklaarde.
Appellant ging vervolgens in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling overwoog dat het hoger beroep geen nieuwe rechtsvragen bevat die van belang zijn voor rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming. Tevens werd verwezen naar eerdere uitspraken, waaronder een uitspraak van 12 juni 2024 over de beoordeling van risico op indirect refoulement binnen Dublinprocedures.
De Afdeling stelde vast dat er geen aanleiding was om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie en dat het hoger beroep geen vragen opriep over de uitleg of geldigheid van Unierechtelijke bepalingen. Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.