ECLI:NL:RVS:2026:3798

Raad van State

Datum uitspraak
1 juli 2026
Publicatiedatum
1 juli 2026
Zaaknummer
202500915/1/A2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:19 AwbArt. 6:24 AwbArt. 5:25 AwbArt. 8:109 AwbArt. 8:113 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bestuursrechtelijke toetsing kostenverhaal bestuursdwang woningonderhoud Den Haag

Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag legde een last onder dwangsom op aan de wederpartij voor achterstallig woningonderhoud en stelde een termijn. Na het niet verhelpen van de gebreken, legde het college bestuursdwang op en verhaalde de kosten hiervan op de wederpartij.

De rechtbank oordeelde dat het college niet aannemelijk had gemaakt dat het kostenverhaalbesluit op de juiste wijze was bekendgemaakt, waardoor het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk werd verklaard. Het college stelde in hoger beroep alsnog bewijs over, maar deze stukken werden te laat ingebracht en konden niet worden betrokken bij de beoordeling.

De Afdeling bevestigde het oordeel van de rechtbank en oordeelde dat het college onvoldoende had onderbouwd dat alle in rekening gebrachte meerwerk noodzakelijk was en te herleiden tot de last. Het besluit bevatte een motiveringsgebrek. De Afdeling verklaarde het hoger beroep ongegrond, vernietigde het besluit van 18 juli 2025 en droeg het college op binnen 12 weken een nieuw besluit te nemen, waarbij alleen bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld.

Uitkomst: Het besluit tot kostenverhaal bestuursdwang wordt vernietigd en het college moet een nieuw besluit nemen.

Uitspraak

202500915/1/A2.
Datum uitspraak: 1 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 13 januari 2025 in zaak nr. 24/1580 in het geding tussen:
[wederpartij]
en
het college.
Procesverloop
Bij besluit van 11 oktober 2022 heeft het college de kosten van € 52.607,73 van de door het college toegepaste bestuursdwang op [wederpartij] verhaald.
Bij besluit van 15 januari 2024 heeft het college het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
Bij uitspraak van 13 januari 2025 heeft de rechtbank het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 15 januari 2024 vernietigd en het college opgedragen om binnen zes weken een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft het college hoger beroep ingesteld.
[wederpartij] heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Bij besluit van 18 juli 2025 heeft het college het bezwaar van [wederpartij] ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit heeft [wederpartij] beroepsgronden aangevoerd.
Het college en [wederpartij]  hebben elk nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 26 januari 2026, waar het college, vertegenwoordigd door mr. F.W.A. van Driel en A.H.R. Geritz, en [wederpartij], bijgestaan door mr. H.R. ten Broeke, rechtsbijstandverlener in Leusden, zijn verschenen.
Overwegingen
1.       Het college heeft bij besluit van 14 november 2019 aan [wederpartij] een last onder dwangsom opgelegd om het achterstallige woningonderhoud aan de panden op de [locatie 1]-[locatie 2] in Den Haag te verhelpen. Het college heeft daarvoor een termijn gesteld. Op 1 februari 2021 heeft een inspecteur geconstateerd dat de gebreken niet waren verholpen binnen de daarvoor gestelde termijn. Op 2 maart 2021 heeft het college daarom aan [wederpartij] een last onder bestuursdwang opgelegd. Het college heeft het daartegen door [wederpartij] gemaakte bezwaar bij besluit van 7 juni 2021 niet-ontvankelijk verklaard. Met de in het procesverloop van deze uitspraak vermelde kostenbeschikking van 11 oktober 2022 heeft het college de kosten voor de toegepaste bestuursdwang verhaald op [wederpartij]. In reactie op een aanmaning heeft [wederpartij] op 24 mei 2023 bezwaar gemaakt tegen een voor haar toen nog onbekend besluit. Het college heeft haar daarop het besluit van 11 oktober 2022 toegezonden. Het college heeft dat bezwaar niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding.
De uitspraak van de rechtbank
2.       Aan de uitspraak van 13 januari 2025 heeft de rechtbank ten grondslag gelegd dat het college niet aannemelijk heeft gemaakt dat het besluit van 11 oktober 2022 op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt. Het college kon namelijk geen bewijs van de aangetekende verzending overleggen. Ook kon het college geen duidelijkheid geven over de manier waarop verzending van gewone post in een verzendadministratie wordt bijgehouden. De stelling van het college dat [wederpartij] door de aanmaningen van 15 december 2022 en 25 april 2023 had moeten vermoeden dat een besluit was genomen, doet niet af aan het ontbreken van het bewijs van verzending van het besluit. De rechtbank gaat er vanuit dat het besluit pas bekend is gemaakt door toezending op 6 juli 2023. Het college heeft daarom ten onrechte het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
Het hoger beroep en de beoordeling daarvan
3.       Het college betoogt in hoger beroep dat het besluit van 11 oktober 2022 wel op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt. Ter onderbouwing hiervan heeft het college in hoger beroep alsnog het op 1 december 2022 retour ontvangen poststuk overgelegd dat het per aangetekende post had verzonden. Verder heeft het college, zoals blijkt uit het ook in hoger beroep overgelegde overzicht uit de verzendadministratie, het besluit ook per gewone post verzonden. Het college begrijpt daarom niet dat het van de rechtbank het verwijt heeft gekregen dat het geen bewijs van verzending van de gewone post heeft, want naast de registraties in het systeem, bestaat dat bewijs niet. Het college meent voldoende aannemelijk te hebben gemaakt dat het besluit op de juiste wijze bekend is gemaakt. Het is dan aan [wederpartij] om aannemelijk te maken dat er redenen zijn om aan te nemen dat dit niet het geval is. De enkele stelling dat zij het besluit niet heeft ontvangen, is daarvoor onvoldoende, aldus het college.
3.1.    De Afdeling stelt voorop het in beginsel mogelijk is om in hoger beroep nieuwe (bewijs)stukken over te leggen (zie de uitspraak van 17 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2853). Wel kan er een belemmering zijn om die stukken mee te nemen als die verwijtbaar laat komen. [wederpartij] heeft tijdens de bezwaarprocedure al op de onjuistheid van de overgelegde envelop als bewijsstuk gewezen. Het college stelde in aanloop naar de behandeling van het beroep bij de rechtbank gezocht te hebben naar stukken waarmee de (aangetekende) verzending van het besluit aangetoond kan worden. Ook nadat de rechtbank de behandeling van het beroep had aangehouden om die stukken over te leggen, kwam het niet met meer bewijstukken dan die op basis waarvan de rechtbank heeft geoordeeld. Het is dan ook onbegrijpelijk dat pas in februari 2025, bij het indienen van het hogerberoepschrift, een envelop over is gelegd, die volgens de datumstempel al op 1 december 2022 retour was ontvangen en zich dus sindsdien in het dossier bevond. Hetzelfde geldt voor het overzicht uit de verzendadministratie in verband met de verzending per gewone post. Naar het oordeel van de Afdeling had het college dit eerder kunnen en dus moeten inbrengen. Het nu accepteren van die stukken zou maken dat het aan [wederpartij] is om met feiten en omstandigheden te komen op grond waarvan redelijkerwijs kan worden betwijfeld of het stuk is ontvangen of aangeboden. Dat kan bijna vier jaar na dato redelijkerwijs niet van haar worden verwacht. Hierdoor is [wederpartij] door het college benadeeld in haar bewijspositie. Het is daarom in strijd met een goede procesorde om de in hoger beroep overgelegde stukken bij de beoordeling te betrekken.
3.2.    Gelet op de stukken die door het college bij de rechtbank zijn overgelegd, heeft de rechtbank het beroep van [wederpartij] terecht gegrond verklaard, het besluit van 15 januari 2024 vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit te nemen.
Het besluit van 18 juli 2025
4.       Ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank heeft het college op 18 juli 2025 een nieuw besluit op bezwaar genomen. Dit besluit wordt van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding (artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), gelezen in samenhang met artikel 6:24 van Pro die wet).
5.       In het besluit heeft het college het bezwaar van [wederpartij] ongegrond verklaard. Aan het besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat de uitgevoerde werkzaamheden voldoende zijn te herleiden tot de last onder bestuursdwang. De last voorziet immers in het herstel van de lekkages. Dat het opsporen en verhelpen van lekkages gepaard kan gaan met het nodige hak- en breekwerk, wat ook weer moet worden hersteld, is inherent aan het herstel van dergelijke gebreken en uiteraard van invloed op de kosten van de bestuursdwang. De kosten zijn voldoende inzichtelijk gemaakt. Er zijn geen redenen waarom redelijkerwijs niet tot kostenverhaal kon worden overgegaan.
6.       [wederpartij] betoogt dat werkzaamheden die zijn verricht op basis van de last niet noodzakelijk waren en onvoldoende te herleiden tot de last. De omschrijving van de uit te voeren werkzaamheden in het besluit van 2 maart 2021 is beperkter dan de uiteindelijk op haar verhaalde kosten die volgen uit de kostenbeschikking en de bijgevoegde specificatie. Het verschil is niet uit te leggen. [wederpartij] had zelf al werkzaamheden uit laten voeren, dus dat zoveel meerwerk noodzakelijk zou zijn, is niet aannemelijk. Het uitgevoerde meerwerk was niet noodzakelijk voor herstel en is niet te herleiden tot de last. Zo zijn bijvoorbeeld origineel gevoegde traptreden vervangen door granieten platen. Ook zijn, in aanvulling op wat eerder was omschreven, een douchebak en douchescherm vervangen. De verschillen tussen de omschrijving vooraf en de factuur zijn simpelweg te groot. Het college heeft de bestuursdwang als een soort vrijbrief gebruikt om meer dan alleen de noodzakelijk herstelwerkzaamheden uit te laten voeren.
6.1.    Het college heeft op zitting bij de Afdeling toegelicht waar het verschil vandaan komt. Bij het opleggen van de last in 2019 is een kostenraming van € 11.000,00 gegeven. Dat wordt altijd gedaan om een prikkel te geven om uitvoering te geven aan de last. Dat heeft [wederpartij] niet gedaan. Omdat de problemen nog niet waren opgelost, zag het college zich genoodzaakt om bestuursdwang toe te passen. Aan een andere aannemer is in juli 2021 een offerte gevraagd. Die aannemer kwam met een offerte rond € 21.000,00. Doordat tussen de aanvraag en het begin van de werkzaamheden tijd zat, heeft uiteindelijk de vaste aannemer van de gemeente de werkzaamheden uitgevoerd in 2022. Die heeft vooraf ook een offerte uitgebracht en die was hoger doordat hier veel meer noodzakelijke werkzaamheden in zijn opgenomen. Doordat [wederpartij] in de tussentijd niets heeft ondernomen, heeft zij daarmee geaccepteerd dat de situatie is verslechterd. Het door [wederpartij] bedoelde verschil is een gevolg van het verstrijken van de tijd en het ontstaan van meerkosten, omdat extra werkzaamheden noodzakelijk bleken. Volgens het college waren alle werkzaamheden noodzakelijk en te herleiden naar de last
6.2.    In artikel 5:25 van Pro de Awb staat dat de door het bestuursorgaan gemaakte kosten worden verhaald op de overtreder, tenzij deze kosten redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoren te komen. Hoewel dus in beginsel van kostenverhaal mag worden uitgegaan, zal in de besluitvorming uitdrukkelijk aandacht moeten worden besteed aan de afweging of de kosten die worden doorberekend noodzakelijk waren en te herleiden naar de last (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 29 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:804)
6.3.    De adviescommissie heeft in het advies dat ten grondslag ligt aan het besluit van 18 juli 2025 verwezen naar een toelichting op de kosten die door het college is gegeven in zijn verweerschrift in de bezwaarprocedure. Naar het oordeel van de Afdeling volgt daaruit onvoldoende waarom al het in rekening gebrachte meerwerk noodzakelijk was om aan de last te voldoen. Het college heeft in reactie op het beroep van rechtswege geen aanvullend verweer gevoerd buiten de stellingen op zitting. Zonder nadere onderbouwing kan de Afdeling de door het college genoemde specifieke voorbeelden, zoals dat de oude douche niet kon worden teruggeplaatst, niet beoordelen. Het college is ook in het geheel niet ingegaan op wat door [wederpartij] is aangevoerd over het vervangen van metselwerk op de trap door, gladde, granieten tegels. Het besluit bevat dus een motiveringsgebrek.
Conclusie
7.       Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. Het beroep van rechtswege tegen het besluit van 18 juli 2025 is gegrond en de Afdeling vernietigt dit besluit. Dit betekent dat het college een nieuw besluit op bezwaar moet nemen met inachtneming van wat in deze uitspraak is overwogen. De Afdeling zal daarvoor een termijn stellen. Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil ziet de Afdeling ook aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen het nieuwe besluit alleen bij haar beroep kan worden ingesteld.
8.       Het college moet de proceskosten vergoeden.
9.       Gelet op artikel 8:109, tweede lid van de Awb wordt van het college griffierecht geheven.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        bevestigt de aangevallen uitspraak;
II.       verklaart het beroep tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Den Haag van 18 juli 2025, kenmerk JBN.2025.0025.007, gegrond;
III.      vernietigt dat besluit;
IV.      draagt het college van burgemeester en wethouders van Den Haag op om binnen 12 weken na verzending van deze uitspraak met inachtneming van wat daarin is overwogen een nieuw besluit te nemen;
V.       bepaalt dat tegen het te nemen besluit alleen bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld;
VI.      veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Den Haag tot vergoeding van bij [wederpartij] in verband met de behandeling van hoger beroep en het beroep van rechtswege opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.335,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatige verleende rechtsbijstand;
VII.     bepaalt dat van het college van burgemeester en wethouders van Den Haag een griffierecht van € 579,00 wordt geheven.
Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. O. van Loon, griffier.
w.g. De Poorter
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Loon
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 1 juli 2026
284-1043