ECLI:NL:RVS:2026:3813

Raad van State

Datum uitspraak
1 juli 2026
Publicatiedatum
1 juli 2026
Zaaknummer
202400459/1/V1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMArt. 3.6ba Vb 2000Art. 4:84 AwbArt. 6:19 AwbArt. 6:24 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlening verblijfsvergunning aan langdurig verblijvende minderjarige kinderen ondanks niet voldoen aan Afsluitingsregeling

Betrokkenen, een moeder en haar twee minderjarige zoons met de Nigeriaanse nationaliteit, vroegen om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van de Afsluitingsregeling. De minister wees dit af omdat zij niet aan het beleid voldeden. De rechtbank stelde echter dat de belangenafweging in het kader van artikel 8 EVRM Pro ondeugdelijk was gemotiveerd, met name omdat onvoldoende rekening was gehouden met de ontwikkelingsschade en de betekenis van voetbal voor de kinderen.

De Raad van State bevestigt dat de minister onvoldoende gewicht heeft toegekend aan het belang van de kinderen en de individuele omstandigheden, waaronder het BIC-rapport dat ernstige bedreiging van de ontwikkeling van de kinderen constateert. De minister heeft ook onvoldoende gemotiveerd waarom de langdurige banden van de kinderen met Nederland, zoals onderwijs en sociale contacten, minder zwaar wegen vanwege het onrechtmatig verblijf.

De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt dat er uitzonderlijke omstandigheden zijn die een belangenafweging in het voordeel van betrokkenen rechtvaardigen. Gezien de langdurige verblijfsonzekerheid en de negatieve effecten daarvan op de kinderen, beveelt de Afdeling definitieve geschilbeslechting en bepaalt dat de minister betrokkenen een verblijfsvergunning moet verlenen. Tevens wordt de minister veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.

Uitkomst: De minister moet betrokkenen een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verlenen vanwege uitzonderlijke omstandigheden en het belang van de kinderen.

Uitspraak

202400459/1/V1.
Datum uitspraak: 1 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
appellant,
tegen de tussenuitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 20 juli 2023 en haar einduitspraak van 22 december 2023 in zaak nr. NL22.22976 in het geding tussen:
[betrokkene], mede namens haar minderjarige kinderen
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 30 juli 2019 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van betrokkenen om hun een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij besluit van 7 november 2022 (het besluit op bezwaar) heeft de staatssecretaris het daartegen door betrokkenen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij tussenuitspraak van 20 juli 2023 heeft de rechtbank de staatssecretaris in de gelegenheid gesteld om een aan het besluit op bezwaar klevend gebrek te herstellen.
Bij besluit van 27 september 2023 (het aanvullend besluit) heeft de staatssecretaris het besluit op bezwaar nader gemotiveerd.
Bij einduitspraak van 22 december 2023 heeft de rechtbank het tegen het besluit op bezwaar door betrokkenen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit op bezwaar vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen de tussenuitspraak en de einduitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.
Betrokkenen hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Bij besluit van 4 maart 2024 heeft de staatssecretaris het tegen het besluit van 30 juli 2019 gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.
Betrokkenen hebben tegen dit besluit beroepsgronden ingediend.
De minister heeft op verzoek van de Afdeling schriftelijke inlichtingen gegeven. Betrokkenen hebben daarop op verzoek van de Afdeling gereageerd.
De minister en betrokkenen hebben op verzoek van de Afdeling nadere schriftelijke inlichtingen gegeven.
Betrokkenen en de minister hebben nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft deze zaak op een zitting behandeld op 18 maart 2026, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. E.C. Pietermaat, en de moeder, bijgestaan door mr. E.E.M. Bezem, advocaat in Amsterdam, zijn verschenen. Als tolk trad op E. Blom. Verder zijn mr. A.E. Zijlstra en mr. S. Pantelić, werkzaam bij het Onderzoeks- en Expertisecentrum voor Kinderen en Vreemdelingenrecht van de Rijksuniversiteit Groningen, aan de zijde van betrokkenen als deskundigen verschenen. De zaak is op de zitting gelijktijdig behandeld met zaken nrs. 202405347/1/V1 en 202500252/1/V1.
Overwegingen
Inleiding
1. Betrokkenen zijn een moeder en haar twee minderjarige zoons met de Nigeriaanse nationaliteit. De moeder is in 2012 met haar toenmalige partner naar Nederland gekomen. De hoofdpersoon en zijn broertje (samen: de kinderen) zijn achtereenvolgens op [geboortedatum 1] en [geboortedatum 2] in Nederland geboren. Betrokkenen hebben op 31 januari 2019 een aanvraag ingediend om verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van de Afsluiting Definitieve Regeling langdurig verblijvende kinderen (de Afsluitingsregeling). De minister heeft de aanvraag afgewezen en die afwijzing in zijn daarna volgende besluitvorming gehandhaafd.
2. Deze uitspraak gaat over de vraag of de minister betrokkenen een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd moet verlenen voor het uitoefenen van hun privéleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM, mede gelet op de belangen van de al langdurig in Nederland verblijvende kinderen. Daarbij gaat het om een situatie waarin al vaststaat dat betrokkenen niet voldoen aan het beleid in de Afsluitingsregeling.
2.1. De Afdeling licht hierna toe wat de rechtbank heeft geoordeeld over de belangenafweging in het kader van artikel 8 van Pro het EVRM (onder 3 en 3.1). Daarna gaat de Afdeling in op het hoger beroep van de minister (onder 4 tot en met 6). De Afdeling geeft daarbij een uiteenzetting van het beoordelingskader in het licht van vaste rechtspraak van het EHRM en oordeelt dat de grieven van de minister niet slagen. De Afdeling beoordeelt daarna het beroep van betrokkenen tegen het nieuwe besluit op bezwaar van 4 maart 2024 (onder 7 tot en met 8). Dat beroep gaat over de door de minister gemaakte evenredigheidsbeoordeling en de beoordeling of een schrijnende situatie bestaat die aanleiding moet geven tot ambtshalve verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd. De Afdeling oordeelt dat het beroep van betrokkenen gegrond is. Tot slot neemt de Afdeling een eindbeslissing over deze procedure met toepassing van artikel 8:41a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De Afdeling oordeelt dat de minister betrokkenen een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd moet verlenen (onder 8.1).
2.2. De Afdeling toetst in deze zaak niet of uit de op haar verzoek ontvangen schriftelijke inlichtingen van de minister volgt dat hij het beginsel van non-refoulement in deze reguliere procedure heeft gewaarborgd in overeenstemming met het arrest van het Hof van Justitie van 17 oktober 2024, Ararat, ECLI:EU:C:2024:892. Een actuele beoordeling van het risico op refoulement bij terugkeer naar Nigeria is niet meer relevant, omdat betrokkenen zich niet in Nigeria hoeven te vestigen, wanneer de minister hun ter uitvoering van deze uitspraak een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verleent.
De uitspraak van de rechtbank
3. De rechtbank heeft in haar tussenuitspraak een motiveringsgebrek vastgesteld in de belangenafweging in het kader van artikel 8 van Pro het EVRM in het besluit op bezwaar. Volgens de rechtbank heeft de minister voor de uitkomst van zijn belangenafweging doorslaggevend geacht dat betrokkenen in Nederland hebben verbleven zonder verblijfsvergunning. De rechtbank heeft overwogen dat betrokkenen niet aannemelijk hebben gemaakt dat het onrechtmatig verblijf in Nederland niet aan hen is toe te rekenen. Volgens de rechtbank heeft de minister niet onderkend dat aan de in het ‘Best Interests of the Child-Assessment’ van het Onderzoeks- en Expertisecentrum voor Kinderen en Vreemdelingenrecht van de Rijksuniversiteit Groningen van 16 juni 2021 (het BIC-rapport) beschreven ontwikkelingsschade gewicht moet toekomen in het voordeel van betrokkenen, ook als dat niet meer dan gebruikelijke ontwikkelingsschade zou zijn. Verder heeft de minister volgens de rechtbank er onvoldoende gewicht aan toegekend hoe belangrijk het voetballen van de kinderen is voor hun banden met Nederland.
3.1. Volgens de rechtbank heeft de minister in het aanvullend besluit geen gebreken hersteld. De rechtbank heeft in het kader van artikel 8 van Pro het EVRM overwogen dat de minister het BIC-rapport opnieuw onjuist in zijn beoordeling heeft betrokken.
Hoger beroep: privéleven in Nederland
Beoordelingskader
4. Uit vaste rechtspraak van het EHRM volgt dat de minister een ‘fair balance’ moet vinden tussen het belang van een vreemdeling bij voortzetting van privéleven in Nederland en het belang van Nederland bij een beperkt toelatingsbeleid (arrest van 31 januari 2006, Rodrigues Da Silva en Hoogkamer tegen Nederland, ECLI:CE:ECHR:2006:0131JUD005043599, paragraaf 39). De minister moet alle voor de belangenafweging relevante feiten en omstandigheden kenbaar in zijn beoordeling betrekken. Daarbij is een belangrijke overweging of een vreemdeling zijn privéleven in Nederland opbouwt, terwijl die vreemdeling zich ervan bewust is dat zijn verblijfsstatus maakt dat de voortzetting van zijn privéleven vanaf het begin onzeker is (arrest van 28 juli 2020, Pormes tegen Nederland, ECLI:CE:ECHR:2020:0728JUD002540214, paragrafen 57, 58 en 60). Als dat het geval is, dan leidt afwijzing van een aanvraag van die vreemdeling om aan hem verblijf toe te staan alleen in uitzonderlijke omstandigheden tot een schending van artikel 8 van Pro het EVRM.
4.1. Verder heeft het EHRM aangenomen dat zwaarwegende redenen van migratiebeleid er in beginsel voor pleiten om het gedrag van ouders aan hun kinderen toe te rekenen, want anders bestaat een risico dat ouders de situatie van hun kinderen gebruiken (‘exploit’) om een verblijfsrecht voor zichzelf en hun kinderen te verzekeren (arrest van 4 december 2012, Butt tegen Noorwegen, ECLI:CE:ECHR:2012:1204JUD004701709, paragraaf 79, en het arrest Pormes, paragraaf 57). Het feit dat een ouder zich ervan bewust was dat voortzetting van zijn privéleven in Nederland vanaf het begin van dat privéleven onzeker was, kan er dus door toerekening voor zorgen dat de afwijzing van de aanvraag van zijn kinderen alleen in uitzonderlijke omstandigheden tot een schending van artikel 8 van Pro het EVRM leidt, ook al waren die kinderen zich niet bewust van die situatie.
4.2. Voor de beoordeling of zulke uitzonderlijke omstandigheden bestaan, acht het EHRM niet automatisch doorslaggevend dat een verdragsstaat het gedrag van een ouder mag toerekenen aan een kind (zie het arrest Butt, paragraaf 80). Ondanks die toerekening, kunnen individuele omstandigheden er namelijk voor pleiten om kinderen niet de nadelige gevolgen van het gedrag van hun ouders te laten ondervinden en om daarom aan te nemen dat zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen (zie het arrest Butt, paragrafen 86 en 90). Daarbij kan gelet op het arrest Butt bijvoorbeeld van belang zijn dat niet langer een risico bestaat dat een ouder de situatie van zijn kind gebruikt voor een beoogd verblijfsrecht (zie het arrest Butt, paragraaf 80), welke banden kinderen hebben opgebouwd in een verdragsstaat en of zij daarbij wisten van hun onrechtmatig verblijf, in welke mate de autoriteiten van de verdragsstaat hebben gewerkt aan het vertrek van betrokkenen uit die verdragsstaat, wat de banden van de kinderen zijn met het land waarnaar zij volgens de verdragsstaat moeten terugkeren en wat de duur is van het verblijf in de verdragsstaat.
4.3. Voor de beoordeling of uitzonderlijke omstandigheden bestaan, vindt het EHRM verder het belang van het kind relevant. Zoals volgt uit vaste rechtspraak van het EHRM, moet de minister in alle besluiten over kinderen aanzienlijk gewicht toekennen aan hun belangen, hoewel die belangen op zichzelf niet doorslaggevend zijn (arresten van 28 juni 2011, Nunez tegen Noorwegen, ECLI:CE:ECHR:2011:0628JUD005559709, paragraaf 78, 24 juli 2014, Kaplan e.a. tegen Noorwegen, ECLI:CE:ECHR:2014:0724JUD003250411, paragrafen 88 en 98, en 3 oktober 2014, Jeunesse tegen Nederland, ECLI:CE:ECHR:2014:1003JUD001273810, paragraaf 109).
4.4. Gelet op de specifieke omstandigheden van de verzoekers in het arrest Butt, volgt uit dat arrest op zichzelf niet in welke individuele gevallen de minister verplicht is om uitzonderlijke omstandigheden aan te nemen. Uit dat arrest volgt wel dat de minister voor een ‘fair balance’ van de belangenafweging zorgvuldig moet onderzoeken en deugdelijk moet motiveren of zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen aan de hand van de door betrokkenen aangevoerde omstandigheden. De Afdeling toetst het oordeel van de rechtbank over de vraag of de minister zijn beoordeling op die wijze heeft gemaakt, aan de hand van de grieven van partijen in hoger beroep. De Afdeling ziet er bij die toets uitdrukkelijk op toe dat de minister heeft laten zien dat hij aanzienlijk gewicht heeft toegekend aan het belang van het kind door rekening te houden met omstandigheden die ervoor kunnen pleiten om kinderen niet de nadelige gevolgen van het gedrag van ouders te laten ondervinden. Het belang van het kind kan onder meer volgen uit de banden van een kind met Nederland. Gelet daarop volgt de Afdeling de minister niet langer in zijn standpunt dat door vreemdelingen aangevoerde omstandigheden over de banden van kinderen met Nederland weliswaar in hun voordeel wegen, maar deze omstandigheden toch niet doorslaggevend kunnen zijn voor de uitkomst van de belangenafweging om de enkele reden dat die kinderen deze banden hebben opgebouwd tijdens langdurig onrechtmatig verblijf.
Bespreking van de grieven van de minister
5. In de grieven 1 tot en met 3 klaagt de minister over het oordeel van de rechtbank dat hij ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat een belangenafweging in het kader van artikel 8 van Pro het EVRM uitvalt in het nadeel van betrokkenen. Volgens de minister heeft de rechtbank niet onderkend dat hij het BIC-rapport, voor zover dat geen aannames bevat en relevant is, in zijn belangenafweging heeft betrokken. De minister voert aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat hij rekening heeft gehouden met het antwoord op de vraag welke gevolgen het voor betrokkenen heeft als zij hun leven in Nigeria moeten voortzetten. De minister voert tot slot aan dat de rechtbank eraan is voorbijgegaan dat hij heeft aangenomen dat de hoofdpersoon zich onderscheidt van anderen door zijn voetbaltalent en mogelijke voetbalcarrière. De minister wijst erop dat hij heeft uitgelegd dat dit niet leidt tot een belangenafweging in het voordeel van betrokkenen, mede omdat de hoofdpersoon voor de verdere ontwikkeling van zijn voetbaltalent niet aan Nederland is gebonden.
5.1. De grieven van de minister slagen niet. Uit het oordeel van de rechtbank volgt dat de minister in zijn belangenafweging ten onrechte niet heeft laten zien dat hij aanzienlijk gewicht heeft toegekend aan het belang van het kind. De minister is in zijn belangenafweging onvoldoende ingegaan op de relevante omstandigheden voor de vaststelling van de belangen van de kinderen en heeft niet deugdelijk gemotiveerd welk gewicht aan de belangen van de kinderen toekomt bij de afweging van alle voor de belangenafweging relevante omstandigheden.
5.2. De minister voert namelijk tevergeefs aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat hij deugdelijk gemotiveerd op het BIC-rapport is ingegaan. De minister heeft in het algemeen aangenomen dat voor de kinderen ontwikkelingsschade kan ontstaan of toenemen als zij hun leven in Nigeria moeten voortzetten en zich dus moeten aanpassen aan een land waar zij niet eerder zijn geweest. De minister heeft zijn standpunt dat de ontwikkelingsschade in het geval van de kinderen niet bijzonder is echter ondeugdelijk gemotiveerd. De minister is immers niet ingegaan op de in het BIC-rapport genoemde individuele omstandigheden van de kinderen, waaruit volgt dat hun vader niet meer in beeld is, zij huiselijk geweld hebben meegemaakt, zij samen met hun moeder wonen op een paar vierkante meter en gedragsproblemen hebben. De opsteller van het BIC-rapport heeft mede gelet op die individuele omstandigheden geconcludeerd dat de ontwikkeling van de kinderen op het moment van het onderzoek al ernstig werd bedreigd. De minister had moeten motiveren wat de individuele omstandigheden van betrokkenen betekenen in het licht van een vestiging in Nigeria en tot welke gevolgen die omstandigheden leiden bij die vestiging.
5.3. De minister heeft verder niet deugdelijk gemotiveerd waarom hij beperkt gewicht toekent aan de banden van de kinderen met Nederland, waaronder de banden die zij met Nederland hebben door de betekenis die voetbal in hun dagelijks leven heeft. Daarbij is relevant dat de rechtbank in haar tussenuitspraak heeft gewezen op de betekenis van voetbal, voor met name voor de hoofdpersoon, gelet op de structuur waarin hij voetbalt en zijn sociale banden met anderen. De minister heeft in zijn weging van omstandigheden ten onrechte minder gewicht toegekend aan omstandigheden die informatie geven over het belang van het kind, alleen al omdat die omstandigheden inherent zijn aan langdurig onrechtmatig verblijf. Daarmee kent de minister in de belangenafweging, ongeacht de individuele omstandigheden, teveel gewicht toe aan dat onrechtmatig verblijf en te weinig aan de belangen van de kinderen. Dat doet geen recht aan de rechtspraak van het EHRM zoals hiervoor uiteengezet onder 4 tot en met 4.4. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, moet de minister aanzienlijk gewicht toekennen aan de schoolgang, contacten en activiteiten van een minderjarige vreemdeling, bezien vanuit het belang van het kind (uitspraak van de Afdeling van 7 april 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1030, onder 3.1).
5.4. Wat de minister verder aanvoert, behoeft geen bespreking, omdat uit het voorgaande al volgt dat de minister tevergeefs opkomt tegen het eindoordeel van de rechtbank. Ook roept het hoger beroep van de minister geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 24).
Conclusie hoger beroep
6. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraken van de rechtbank. De minister moet de proceskosten in hoger beroep vergoeden.
Beroep tegen het nieuwe besluit op bezwaar
7. Bij besluit van 4 maart 2024 heeft de minister ter uitvoering van de uitspraken van de rechtbank een nieuw besluit genomen op het door betrokkenen gemaakte bezwaar. Daarin heeft de minister de afwijzing van de aanvraag van betrokkenen opnieuw gehandhaafd. De grondslag van dit besluit is niet ontvallen. De minister moest een nieuw besluit op bezwaar nemen met inachtneming van de tussen- en einduitspraak van de rechtbank.
7.1. Het besluit van 4 maart 2024 wordt, gelet op artikel 6:19, eerste lid, in samenhang gelezen met artikel 6:24 van Pro de Awb, van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding. Betrokkenen hebben bij brief van 26 april 2024 beroepsgronden gericht tegen de door de minister in dit besluit gemaakte evenredigheidsbeoordeling in het kader van artikel 4:84 van Pro de Awb en de beoordeling of een schrijnende situatie bestaat wegens een samenstel van bijzondere omstandigheden die moeten leiden tot het ambtshalve verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd in het kader van artikel 3.6ba van het Vb 2000.
7.2. De minister heeft zijn evenredigheidsbeoordeling in het besluit van 4 maart 2024 deels gebaseerd op de door hem gemaakte belangenafweging in het kader van artikel 8 van Pro het EVRM in het besluit op bezwaar, het aanvullend besluit en het verweerschrift van 28 februari 2023. De minister legt onder verwijzing naar die belangenafweging uit dat hij in het voetbaltalent van de kinderen en de informatie over ontwikkelingsschade in het BIC-rapport geen aanleiding ziet om af te wijken van het beleid in de Afsluitingsregeling. Uit het oordeel van de Afdeling in hoger beroep volgt dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de minister zijn belangenafweging ondeugdelijk heeft gemotiveerd. Gelet daarop slagen de beroepsgronden.
Conclusie beroep
8. Het beroep is gegrond. Het is niet nodig wat betrokkenen verder aanvoeren te bespreken. De beroepsgronden van betrokkenen roepen geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest Remling, punt 24). De Afdeling vernietigt het besluit van 4 maart 2024 en herroept het besluit van 30 juli 2019. De Afdeling oordeelt dat de minister in zijn belangenafweging niet zorgvuldig heeft onderzocht en niet deugdelijk heeft gemotiveerd of uitzonderlijke omstandigheden bestaan gelet op het belang van de kinderen en overige individuele omstandigheden. Hoewel het in beginsel aan de minister is om alsnog te beoordelen of hij betrokkenen een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd moet verlenen voor het uitoefenen van het privéleven in de zin van artikel 8 EVRM Pro, ziet de Afdeling in deze zaak aanleiding voor definitieve geschilbeslechting. Gelet op de verblijfsonzekerheid voor de kinderen vanaf het begin van deze procedure in 2019 en de voor hun ontwikkeling negatieve effecten van die onzekerheid, acht de Afdeling het namelijk nodig dat deze procedure tot een einde komt. Partijen hebben op de zitting in hoger beroep desgevraagd geen bezwaren geuit tegen definitieve geschilbeslechting.
8.1. De Afdeling heeft de overtuiging dat voor betrokkenen uitzonderlijke omstandigheden bestaan gelet op de belangen van de kinderen en de overige individuele omstandigheden in deze zaak. Daaronder vallen onder meer de onder 5.2 genoemde individuele omstandigheden en het feit dat de kinderen, tijdens hun verblijf van tien en veertien jaar, banden met Nederland hebben opgebouwd. De kinderen hebben deze banden met Nederland in ieder geval opgebouwd door het volgen van onderwijs, hun sociale contacten en sport. De Afdeling neemt gelet daarop aan dat een ‘fair balance’ van alle af te wegen relevante feiten en omstandigheden leidt tot een belangenafweging in het voordeel van betrokkenen. De Afdeling bepaalt dat de minister betrokkenen een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd moet verlenen voor de uitoefening van hun privéleven in Nederland. De minister moet de proceskosten in beroep vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de aangevallen uitspraken;
II. verklaart het beroep tegen het besluit van 4 maart 2024, V- […] , V-[…] en V-[…], gegrond;
III. vernietigt dat besluit;
IV. herroept het besluit van 30 juli 2019, V- […], V-[…] en V-[...]
V. bepaalt dat de minister van Asiel en Migratie betrokkenen een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verleent;
VI. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij betrokkenen in verband met de behandeling van het hoger beroep en het beroep van rechtswege opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 3.736,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
VII. bepaalt dat van de minister van Asiel en Migratie een griffierecht van € 559,00 wordt geheven.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzitter, en mr. J.H. van Breda en mr. J.C.A. de Poorter, leden, in tegenwoordigheid van mr. H.J. Jongeneel, griffier.
w.g. Sevenster
voorzitter
w.g. Jongeneel
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 1 juli 2026
958