ECLI:NL:RVS:2026:3818

Raad van State

Datum uitspraak
1 juli 2026
Publicatiedatum
1 juli 2026
Zaaknummer
202406664/1/V2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30b Vw 2000Art. 1(F) VluchtelingenverdragArt. 3 EVRMArt. 3.107 Vb 2000Art. 25 Statuut van Rome
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing verblijfsvergunning asiel wegens consummeren kindhuwelijk

Appellant, een Syrische nationaliteit dragende man, vroeg asiel aan in Nederland. De staatssecretaris weigerde een verblijfsvergunning omdat appellant in 2012 een traditioneel huwelijk had geconsummeerd met een dertienjarige, wat werd aangemerkt als een ernstig niet-politiek misdrijf. De rechtbank volgde dit standpunt en wees het beroep af.

In hoger beroep betoogde appellant dat hij niet wist dat hij een misdrijf pleegde, dat het huwelijk binnen zijn cultuur normaal was, en dat de minister nieuw beleid voerde zonder dit kenbaar te maken. De Afdeling oordeelde dat appellant zich bewust was van de jonge leeftijd van zijn huwelijkspartner en dat het consummeren van het huwelijk een strafbaar feit is, ongeacht culturele context of intentie.

Verder werd overwogen dat de ernst van het misdrijf en de gevolgen voor het slachtoffer zwaar wegen, ondanks het tijdsverloop en het ontbreken van berouw. De minister hoefde geen evenredigheidsbeoordeling te maken en mocht de SIS-signalering handhaven, ook zonder recidiverisico. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de asielaanvraag bevestigd wegens consummeren van een kindhuwelijk als ernstig niet-politiek misdrijf.

Uitspraak

202406664/1/V2.
Datum uitspraak: 1 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 24 oktober 2024 in zaak nr. NL24.25624 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 14 juni 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen en hem meegedeeld dat hij in het Schengeninformatiesysteem (SIS) gesignaleerd wordt.
Bij uitspraak van 24 oktober 2024 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. Appellant heeft daarop gereageerd.
De Afdeling heeft de UNHCR in de gelegenheid gesteld aan de procedure deel te nemen.
De UNHCR heeft een reactie gegeven.
Appellant heeft nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 13 oktober 2025, waar appellant, bijgestaan door mr. M.A.C. de Vilder-van Overmeire, advocaat in Amsterdam, en de minister, vertegenwoordigd door mr. M.M. Favier en mr. J.P. Guérain, zijn verschenen.
De zaak is op de zitting gelijktijdig behandeld met zaken nrs. 202405898/1/V2, 202408004/1/V2 en BRS.25.000796.
Overwegingen
Waar gaat deze zaak over?
1.       Appellant heeft de Syrische nationaliteit. Hij is geboren op [geboortedatum] 1989. De minister heeft de asielaanvraag van appellant afgewezen, omdat appellant op 11 juni 2012 in Syrië traditioneel is gehuwd met [partner], geboren op [geboortedatum] 1999, en hij dat huwelijk direct heeft geconsummeerd. Dat wil zeggen dat appellant seksuele gemeenschap heeft gehad met zijn huwelijkspartner. Op dit moment verblijven de huwelijkspartner en hun kinderen in Syrië. Het gaat de minister niet om het huwelijk zelf, maar om het feit dat appellant dat huwelijk heeft geconsummeerd met zijn huwelijkspartner die op dat moment dertien jaar oud was. De rechtbank is de minister hierin gevolgd. De Afdeling toetst in deze uitspraak of de rechtbank dat juist heeft gedaan.
1.1.    De minister heeft zijn besluit gebaseerd op artikel 30b, aanhef en onder j, van de Vw 2000. In dat artikel staat dat de minister een asielaanvraag kan afwijzen als een vreemdeling op ernstige gronden een gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid. Er is onder meer sprake van zo’n gevaar voor de openbare orde en nationale veiligheid als een vreemdeling een ernstig niet-politiek misdrijf heeft gepleegd als bedoeld in artikel 1(F), aanhef en onder b, van het Vluchtelingenverdrag.
1.2.    De minister heeft in zijn besluit aangenomen dat appellant bij terugkeer naar Syrië een reëel risico loopt op foltering of een behandeling of bestraffing als bedoeld in artikel 3 van Pro het EVRM. Dit betekent dat de minister appellant niet gedwongen zal uitzetten naar Syrië. Doordat de minister appellant tegenwerpt dat hij een ernstig niet-politiek misdrijf heeft gepleegd, is appellant ook uitgesloten van de subsidiaire beschermingsstatus. Dit volgt uit artikel 3.107, tweede lid, van het Vb 2000.
1.3.    Bij uitspraak van vandaag, ECLI:NL:RVS:2026:3643, onder 3 tot en met 3.6, heeft de Afdeling uitgelegd hoe de minister moet beoordelen of sprake is van een ernstig niet-politiek misdrijf. De Afdeling verwijst voor het beoordelingskader dan ook naar die overwegingen.
1.4.    Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.
Geen kenbaar beleid over kindhuwelijken en vergelijkbare gevallen
2.       Appellant klaagt in zijn eerste grief onder meer dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de minister in strijd heeft gehandeld met het gelijkheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel. Appellant betoogt dat de minister nieuw beleid heeft aangenomen waarin hij het consummeren van een kindhuwelijk aanmerkt als een ernstig niet-politiek misdrijf en dat dit geen kenbaar beleid is. In vergelijkbare gevallen heeft de minister namelijk nooit eerder tegengeworpen dat een vreemdeling een kindhuwelijk heeft geconsummeerd. De minister heeft tijdens de zitting bij de rechtbank te kennen gegeven dat dit nieuw beleid is, aldus appellant.
2.1.    De rechtbank heeft terecht overwogen dat de minister niet in strijd heeft gehandeld met het gelijkheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel. De rechtbank heeft terecht in haar oordeel betrokken dat de minister tijdens de zitting alleen heeft toegelicht dat de werkwijze van de minister recentelijk is gewijzigd doordat hij nu meer concrete vragen stelt en beter op dit soort gevallen let. De minister heeft tijdens de zitting bij de Afdeling toegelicht dat hij geen nieuw beleid heeft aangenomen over het consummeren van kindhuwelijken, omdat elke zaak uniek is en daar geen standaardvereisten bij passen.
2.2.    Daarnaast heeft de rechtbank terecht overwogen dat de stelling van appellant dat de minister eerder in vergelijkbare gevallen wel een verblijfsvergunning heeft verleend, niet nader heeft toegelicht of met stukken heeft onderbouwd. Daarbij heeft de rechtbank terecht overwogen dat, ook al zou de minister artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag eerder in vergelijkbare situaties mogelijk niet hebben tegengeworpen, dit niet maakt dat hij dat daarna, ook in het geval van appellant, niet meer mag doen. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat de minister niet in strijd heeft gehandeld met het gelijkheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel.
2.3.    In zoverre faalt de eerste grief.
Wist appellant of had hij behoren te weten dat hij een ernstig misdrijf pleegde?
3.       Om te kunnen bepalen of een vreemdeling individueel voor artikel 1(F)-handelingen verantwoordelijk moet worden gehouden, wordt onderzocht of kan worden aangenomen dat hij weet heeft gehad of had behoren te hebben van het plegen van het betreffende misdrijf/de betreffende misdrijven ("knowing participation") en of hij op enige wijze hieraan persoonlijk heeft deelgenomen ("personal participation"). Indien hiervan sprake is, kan aan een vreemdeling artikel 1(F) worden tegengeworpen. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de "personal and knowing participation-test" (artikel 25 en Pro 27 tot en met 33 van het Statuut van Rome). Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 3 december 2013, ECLI:NL:RVS:2013:2350, onder 2.1.
3.1.    Niet in geschil is dat appellant het huwelijk heeft geconsummeerd en dat hij dus het misdrijf heeft gepleegd. Daarom is sprake van "personal participation". Partijen verschillen van mening over of het bestaan van "knowing participation" kan worden aangenomen. De Afdeling heeft eerder overwogen dat hiervoor niet is vereist dat een vreemdeling zich, toen hij de gedragingen verrichtte, ook daadwerkelijk bewust was van het 1(F)-karakter hiervan. Het gaat erom dat de vreemdeling wist of had behoren te weten dat hij een ernstig misdrijf pleegde en niet dat hij wist of het ernstig genoeg was om artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag tegen te werpen. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 7 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3064, onder 3.2.
Wat heeft appellant hierover aangevoerd?
3.2.    Appellant klaagt in zijn eerste en derde grief over het oordeel van de rechtbank dat de minister ernstige redenen heeft mogen aannemen om te veronderstellen dat appellant in ieder geval had moeten weten dat hij een ernstig misdrijf pleegde toen hij het huwelijk met zijn huwelijkspartner consummeerde.
3.3.    Appellant betoogt dat hij zich er niet van bewust was dat hij een ernstig misdrijf pleegde. Hij wijst erop dat hij geen juridische scholing heeft gehad of bijzondere kennis heeft. Verder betoogt appellant dat het huwelijk en het consummeren daarvan binnen zijn cultuur en gemeenschap een normale en te verwachten stap is. In dat kader heeft appellant tijdens de zitting bij de Afdeling verwezen naar een artikel van 27 januari 2021 op de website van Het Grote Midden Oosten Platform. Dat artikel gaat over een onderzoek naar kindhuwelijken onder Syrische vluchtelingen in Jordanië. Daarnaast hebben beide families ingestemd met het huwelijk en is appellant rechtmatig getrouwd in Syrië waardoor het consummeren van het huwelijk daar niet strafbaar is. In dat kader heeft appellant twee e-mails van 18 juni 2025 en 15 juli 2025 van [persoon] overgelegd. Hij is een Syrische advocaat en arabist. Appellant betoogt verder dat hij geen dwang of geweld heeft gebruikt.
3.4.    Daarnaast heeft appellant tijdens de zitting bij de Afdeling erop gewezen dat hij verliefd is op zijn huwelijkspartner en zich bewust was van haar leeftijd. Appellant betoogt dat hij er zich niet van bewust was dat hij strafbaar handelde en dat hij dus geen criminele intentie had. Tot slot betoogt appellant dat, omdat het bestandsdeel "buiten echt" in artikel 245 (oud) van het Wetboek van Strafrecht staat, ook in Nederland niet is voldaan aan de voorwaarden voor strafbaarheid.
Wat is het oordeel van de Afdeling hierover?
3.5.    De rechtbank heeft terecht overwogen dat de minister terecht heeft aangenomen dat appellant wist of had behoren te weten dat hij een ernstig misdrijf pleegde. De Afdeling merkt op dat de minister tijdens de zitting bij de Afdeling niet inhoudelijk heeft gereageerd op de e-mails van [persoon] over de strafbaarstelling in Syrië. De Afdeling heeft op basis van de overgelegde stukken niet kunnen vaststellen of het in Syrië strafbaar is om seksuele gemeenschap te hebben met een minderjarige van jonger dan vijftien jaar als dit binnen een huwelijk plaatsvindt. De Afdeling acht die vaststelling in dit geval niet noodzakelijk, omdat de rechtbank haar oordeel over "knowing participation" terecht mede heeft gebaseerd op andere omstandigheden. Dit licht de Afdeling hierna toe.
3.6.    De rechtbank heeft terecht in haar oordeel betrokken dat appellant zich bewust was van de zeer jonge leeftijd van de huwelijkspartner toen hij het huwelijk consummeerde. De rechtbank heeft daarbij terecht de verklaringen van appellant tijdens de zitting bij de rechtbank betrokken. Daaruit volgt dit ook. Appellant heeft tijdens de zitting bij de rechtbank namelijk verklaard dat toen hij het traditionele huwelijk sloot en de geboortedatum van de huwelijkspartner werd genoemd, hij er voor het eerst achter kwam dat de huwelijkspartner nog zo jong was. Appellant heeft verklaard dat hij daarvan schrok, maar dat het volgens hem te laat was om te stoppen. Ondanks deze omstandigheden, heeft appellant het huwelijk toch geconsummeerd. Ook tijdens de zitting van de Afdeling heeft appellant erkend dat hij zich bewust was van de zeer jonge leeftijd van zijn huwelijkspartner. Hij heeft hierover nog betoogd dat het schrikken op verschillende manieren kan worden opgevat en dat hij eerst dacht dat het meisje zeventien jaar was. Dit volgt echter niet uit de verklaringen van appellant tijdens de zitting bij de rechtbank en dit doet ook niet af aan het bewustzijn van de zeer jonge leeftijd en de schrikreactie waarover hij heeft verklaard.
3.7.    De rechtbank heeft op basis van deze feiten en omstandigheden terecht overwogen dat appellant zich bewust was van de jonge leeftijd van de huwelijkspartner. De minister hoeft dan niet te bewijzen dat appellant ook kennis had van het feit dat de minderjarige huwelijkspartner geen toestemming kon geven voor het consummeren van het huwelijk. De Afdeling verwijst naar punt 34 van de brief van de UNHCR van 30 september 2025 die is opgenomen in een bijlage bij de uitspraak van vandaag, ECLI:NL:RVS:2026:3643. De minister mag ervan uitgaan dat appellant die kennis had of had behoren te hebben toen hij het huwelijk consummeerde. Het maakt dan ook niet uit dat appellant geen geweld heeft gebruikt, geen juridische of bijzondere kennis had, verliefd op zijn huwelijkspartner was en geen criminele intentie had, zoals hij heeft betoogd. Daarbij heeft de minister ook terecht gewezen op het aanzienlijke leeftijdsverschil. Appellant was ten tijde van het consummeren van het huwelijk drieëntwintig jaar oud en zijn huwelijkspartner dertien jaar. Daarom heeft de minister terecht aangenomen dat appellant zich bewust was of bewust had moeten zijn van de kwetsbaarheid van de huwelijkspartner en het overwicht dat hij had als volwassen man.
3.8.    Appellant betoogt dat het binnen zijn cultuur en gemeenschap een normale en te verwachten stap is om met een dertienjarig meisje te trouwen en dat huwelijk te consummeren. In dat kader heeft de minister tijdens de zitting bij de Afdeling terecht gewezen op informatie op de website van de organisatie Girls Not Brides. Volgens deze organisatie is drie procent van de huwelijken in Syrië gesloten met meisjes van vijftien jaar of jonger. Dit is gebaseerd op gegevens van UNICEF (Central Bureau of Statistics, Multiple Indicator Cluster Survey (MICS) 2006, 2008). Appellant heeft nog gewezen op een artikel op de website van Het Grote Midden Oosten Platform, maar appellant heeft daarbij niet toegelicht hoe en waarom dat artikel maakt dat hij door zijn cultuur en gemeenschap in Syrië niet wist of niet had kunnen weten dat hij een ernstig misdrijf pleegde. De minister heeft, gelet op het hiervoor genoemde geringe percentage, terecht gesteld dat geen sprake is van een breed geaccepteerde gewoonte of traditie waardoor appellant niet wist of niet had kunnen weten dat hij een ernstig misdrijf pleegde.
3.9.    Appellant wijst tot slot nog op artikel 245 (oud) van het Wetboek van Strafrecht. Hoewel dat artikel vereiste dat de seksuele gedraging "buiten echt" heeft plaatsgevonden, werd ook al ten tijde van de consummatie van het huwelijk van appellant in Syrië in Nederland in ieder geval geen ontheffing van de minimumleeftijd voor huwelijkspartners meer gegeven voor huwelijkspartners jonger dan vijftien jaar. Daarnaast zou, ook toen appellant het huwelijk consummeerde, zijn in het buitenland gesloten kindhuwelijk niet in Nederland worden erkend wegens strijd met de openbare orde. De minister heeft dan ook terecht deze strafbepaling als uitgangspunt genomen voor de beoordeling welk misdrijf en welke maximale strafbedreiging moeten worden betrokken bij de vraag of appellant een ernstig niet-politiek misdrijf heeft gepleegd. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling vandaag, ECLI:NL:RVS:2026:3643, onder 5.6.1.
3.10.  De derde grief faalt.
Omstandigheden na het misdrijf en de ernst van het misdrijf
4.       Het Hof van Justitie heeft in het arrest van 30 april 2025, Galte, ECLI:EU:C:2025:292, punt 45, overwogen dat, om de ernst van het misdrijf in kwestie te beoordelen, de bevoegde autoriteit onder meer de aard van de betrokken daad moet onderzoeken, de op het misdrijf gestelde straf en de opgelegde straf, de tijd die is verstreken sinds het strafbare feit, het gedrag van de betrokkene gedurende die periode en het berouw dat de betrokkene in voorkomend geval heeft getoond. Daarbij kunnen ook nog andere omstandigheden worden betrokken, ook van na het misdrijf. Zoals volgt uit punt 39 van het arrest Galte, gaat het uiteindelijk om de vraag of het niet-politieke misdrijf zo ernstig is dat de betrokkene niet legitiem aanspraak kan maken op de bescherming die aan de vluchtelingenstatus is verbonden. Dat moeten de lidstaten, en dus de minister, steeds per geval beoordelen. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van vandaag, ECLI:NL:RVS:2026:3643, onder 3.5 en 3.6.
Wat heeft appellant hierover aangevoerd?
4.1.    Appellant klaagt in zijn eerste, tweede en vierde grief onder meer dat de rechtbank in haar oordeel onvoldoende rekening heeft gehouden met de verzachtende omstandigheden. Appellant stelt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de consummatie dertien jaar geleden heeft plaatsgevonden en geen sprake is van een recidiverisico. Appellant wijst er verder op dat hij dertien jaar is getrouwd met zijn vrouw en dat zij drie kinderen hebben. De minister had rekening moeten houden met de gevolgen voor het gezin dat in een onveilige situatie verblijft in Syrië. De minister had volgens appellant ook de overgelegde brief van de huwelijkspartner bij zijn besluit moeten betrekken en de gevolgen voor het gezin nader moeten onderzoeken door de huwelijkspartner te horen.
4.2.    Appellant heeft tijdens de zitting bij de Afdeling verder geklaagd over het oordeel van de rechtbank dat de minister de omvang van de gevolgen en de teweeggebrachte schade terecht heeft betrokken in zijn besluit. Appellant betoogt dat de huwelijkspartner geen schade heeft geleden door het consummeren van het huwelijk. Appellant verwijst ook in dat kader naar de brief van zijn huwelijkspartner en zijn eigen verklaringen. Daarbij heeft appellant aan de minister aangeboden om de huwelijkspartner te bellen. De minister mag voor het vaststellen van de schade verder niet volstaan met het verwijzen naar algemene informatie. Dat heeft de rechtbank niet onderkend, aldus appellant.
Wat is het oordeel van de Afdeling hierover?
4.3.    De minister heeft gesteld dat sprake is van een ernstig niet-politiek misdrijf en dat appellant zo’n misdrijf heeft gepleegd. De rechtbank heeft dat standpunt terecht gevolgd. Zij heeft terecht overwogen dat de minister de omvang van de gevolgen en de teweeggebrachte schade terecht heeft betrokken in zijn conclusie dat sprake is van een ernstig niet-politiek misdrijf. De rechtbank heeft terecht gewezen op de zeer ernstige inbreuk op de lichamelijke en geestelijke integriteit van het slachtoffer en de langdurige nadelige psychische gevolgen daarvan. De rechtbank heeft daarbij terecht in haar oordeel betrokken dat de minister mocht verwijzen naar de richtlijn voor strafvordering seksueel misbruik van minderjarigen van het Openbaar Ministerie (2015/Ro47). Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van vandaag, ECLI:NL:RVS:2026:3733, onder 6.7. Daarnaast verwijst de Afdeling naar punt 9 van de brief van de UNHCR van 30 september 2025. De UNHCR onderkent daarin onder meer dat huwelijken met minderjarigen en de daaraan gerelateerde seksuele en psychische schade vormen kunnen zijn van onderdrukking van kinderen.
4.4.    De rechtbank heeft verder terecht in haar oordeel betrokken dat een minderjarige van dertien jaar oud niet in staat kan worden geacht om zijn of haar seksuele integriteit te bewaken en weerstand te bieden aan een volwassene. De rechtbank heeft ook terecht overwogen dat minderjarigen, vanwege hun leeftijd, beschermd moeten worden tegen personen die van hen seksueel misbruik willen maken. De Afdeling verwijst op dit punt naar de toelichting van de UNHCR in punt 8 van haar brief. Daarin wijst de UNHCR op de in meerdere verdragen neergelegde verplichting om kinderen te beschermen tegen alle vormen van geweld en seksueel misbruik, ook in de context van een huwelijk. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van vandaag, ECLI:NL:RVS:2026:3643, onder 5.5.2.
4.5.    Gelet op de aard en de omvang van de gevolgen van het misdrijf, heeft de rechtbank terecht geen aanleiding gezien om tot een ander oordeel te komen wegens het mogelijk ontbreken van het recidiverisico en het tijdsverloop sinds de consummatie van het huwelijk. De minister heeft daar dan ook weinig betekenis aan mogen hechten. De rechtbank heeft daarnaast in haar oordeel betrokken dat uit de verklaringen van appellant niet is gebleken dat appellant verantwoordelijkheidsbesef en berouw heeft getoond. Appellant heeft ook tijdens de zitting bij de Afdeling verklaard dat hij geen aanleiding had om berouw te tonen en dat hij heeft verklaard dat het niet vreemd was wat hij heeft gedaan.
4.6.    Verder heeft de minister de strafmaat in artikel 245 (oud) van het Wetboek van Strafrecht betrokken in zijn beoordeling. Het gaat om een maximale gevangenisstraf van acht jaren. Appellant heeft het element over de strafmaat in hoger beroep niet bestreden. Vergelijk ook de uitspraak van de Afdeling van vandaag, ECLI:NL:RVS:2026:3643, onder 5.6.1.
4.7.    Appellant heeft gewezen op de brief van de huwelijkspartner en daarbij gesteld dat de minister nader onderzoek kon doen door de huwelijkspartner te horen over de gevolgen van het misdrijf voor haar en het gezin. De minister heeft daarover tijdens de zitting naar voren gebracht dat hij de huwelijkspartner niet heeft hoeven horen, omdat betwijfeld kan worden of er veel waarde aan de eventuele verklaringen van de huwelijkspartner kan worden gehecht. De minister heeft in dat verband terecht gesteld dat hij ervan uit mag gaan dat de huwelijkspartner in sterke mate afhankelijk is geworden van appellant. De minister heeft in dat kader tijdens de zitting bij de Afdeling terecht gewezen op de risico’s en de schade voor meisjes die op zo’n jonge leeftijd huwen. Het gaat dan bijvoorbeeld om seksueel en verbaal geweld, risico’s voor de geestelijke gezondheid en de financiële afhankelijkheid. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van vandaag, ECLI:NL:RVS:2026:3643, onder 7.4 en 7.5. Daarnaast heeft de minister de brief van de huwelijkspartner wel betrokken in zijn besluit. De minister heeft daarover deugdelijk gemotiveerd dat die verklaring en de aangevoerde gezinsomstandigheden onvoldoende tegenwicht bieden aan alle andere elementen die de minister bij zijn besluit heeft betrokken, zoals hiervoor overwogen.
4.8.    De Afdeling is dan ook van oordeel dat de minister heeft mogen vasthouden aan de kwalificatie van ernstig misdrijf als bedoeld in het arrest Galte. De rechtbank heeft dus terecht geen aanleiding gezien voor een andere conclusie.
Evenredigheidsbeoordeling en gezinshereniging
4.9.    Appellant klaagt in zijn eerste, tweede en vierde grief verder over het oordeel van de rechtbank dat het niet onevenredig is dat de minister artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag heeft tegengeworpen. Appellant verwijst naar het ‘Handbook on Procedures and Criteria for Determining Refugee Status under the 1951 Convention and the 1967 Protocol relating to the Status of Refugees’, punten 156 en 157, en de punten 16 en 17 van de brief van de UNHCR van 30 september 2025. In dat kader betoogt hij dat de minister bij de beoordeling of sprake is van een ernstig niet-politiek misdrijf de vrees voor vervolging in Syrië ten onrechte niet heeft betrokken. Door het tegenwerpen van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag, heeft appellant verder geen recht op gezinshereniging. Dat maakt het tegenwerpen van artikel 1(F) ook onevenredig, aldus appellant.
4.10.  Bij uitspraak van vandaag, ECLI:NL:RVS:2026:3643, onder 7.8 tot en met 7.10, heeft de Afdeling overwogen dat de minister niet verplicht is om een evenredigheidsbeoordeling te verrichten als hij heeft geconcludeerd dat een vreemdeling een ernstig niet-politiek misdrijf heeft gepleegd. Dat hoeft de minister ook niet te doen in het kader van de vraag of die vreemdeling kan worden uitgezet naar het land van herkomst. De Afdeling heeft dit gebaseerd op het arrest van het Hof van 9 november 2010, B. en D., ECLI:EU:C:2010:661, en het arrest Galte. Dit betekent niet dat de minister zo’n beoordeling niet mag verrichten. De minister heeft tijdens de zitting bij de Afdeling toegelicht dat hij alleen een evenredigheidsbeoordeling verricht als sprake is van een zeer uitzonderlijke situatie.
4.11.  In dat kader heeft de rechtbank terecht overwogen dat de minister in het geval van appellant geen uitzonderlijke situatie heeft hoeven aannemen. Daarbij heeft de rechtbank terecht overwogen dat de omstandigheid dat appellant geen recht heeft op gezinshereniging geen bijzondere omstandigheid is. Dit geldt namelijk ook voor alle andere situaties waarin de minister artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag heeft tegengeworpen.
4.12.  De eerste, tweede en vierde grief falen.
SIS-signalering
5.       Appellant klaagt in zijn vijfde grief over het oordeel van de rechtbank dat de minister terecht een besluit tot signalering in het SIS heeft genomen. Appellant betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de SIS-signalering van tien jaar proportioneel is. Appellant betoogt dat het proportionaliteitsbeginsel betekent dat de minister hem alleen mag signaleren als sprake is van een recidiverisico. Appellant verwijst naar een uitspraak van de Afdeling van 16 december 2020, ECLI:NL:RVS:2020:3017. Er is in zijn geval geen recidiverisico, omdat hij spijt heeft betuigd en geen strafblad heeft. De duur van tien jaar is disproportioneel, omdat zijn bewegingsvrijheid binnen de Europese Unie en de mogelijkheid tot gezinshereniging daardoor worden beperkt, aldus appellant.
5.1.    Als de minister een besluit tot signalering in het SIS wil nemen, moet hij beoordelen of appellant een bedreiging vormt voor de openbare orde of veiligheid. In het arrest van 2 mei 2018, K. en H.F., ECLI:EU:C:2018:296, heeft het Hof uitgelegd hoe de minister dat moet doen. De Afdeling is in haar hiervoor genoemde uitspraak van 16 december 2020 op dat arrest ingegaan.
5.2.    De rechtbank heeft in dat kader terecht overwogen dat het mogelijk ontbreken van een recidiverisico niet maakt dat appellant geen gevaar meer vormt voor de openbare orde. Anders dan appellant betoogt, komt aan die omstandigheid namelijk op zichzelf geen doorslaggevende betekenis toe. Vergelijk de hiervoor genoemde uitspraak van 16 december 2020, onder 9.3. De rechtbank heeft verder terecht in haar oordeel betrokken dat er een bijzondere betekenis toekomt aan het gedrag en de houding van appellant na het plegen van het 1(F)-misdrijf. Het gaat er daarbij om of appellant verantwoordelijkheid neemt en oprecht berouw toont. Vergelijk de uitspraak van 16 december 2020, onder 9.4 en 9.5. De rechtbank heeft terecht overwogen dat appellant met zijn verklaringen tijdens de asielprocedure en tijdens de zitting bij de rechtbank dit niet heeft gedaan, zoals ook overwogen onder 4.5. Appellant heeft met zijn enkele verwijzing naar een spijtbetuiging deze overweging van de rechtbank niet gemotiveerd weerlegd.
5.3.    De rechtbank heeft in wat appellant verder heeft aangevoerd over gezinshereniging en zijn bewegingsvrijheid terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat het besluit tot signalering in het SIS disproportioneel is. Hiervoor is relevant dat nooit sprake is geweest van rechtmatig in Nederland of elders in de Europese Unie uitgeoefend familie- en gezinsleven.
5.4.    De vijfde grief faalt.
Arrest Remling
6.       Uit de overwegingen 1.3, 4 en 5.1 volgt dat de opgeworpen vragen of appellant een ernstig niet-politiek misdrijf heeft gepleegd als bedoeld in artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag en of de minister appellant mocht signaleren in het SIS, kunnen worden beantwoord aan de hand van de rechtspraak van het Hof. Gelet op de arresten van het Hof van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punten 13 en 14, 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punt 36, en 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 36, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen.
Conclusie
7.       Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank met verbetering van gronden. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, voorzitter, en mr. B. Meijer en mr. M. den Heyer, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.D. Salverda, griffier.
w.g. De Poorter
voorzitter
w.g. Salverda
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 1 juli 2026
992