ECLI:NL:RVS:2020:3017
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- H. Troostwijk
- J.J. van Eck
- Rechtspraak.nl
Beoordeling handhaving inreisverbod op grond van artikel 1(F) Vluchtelingenverdrag en artikel 8 EVRM
De zaak betreft het hoger beroep van de staatssecretaris tegen een uitspraak van de rechtbank die het opgelegde inreisverbod aan een vreemdeling uit Afghanistan had opgeheven. De vreemdeling is op grond van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag uitgesloten van vluchtelingenstatus vanwege zijn betrokkenheid bij ernstige misdrijven als officier bij de veiligheidsdienst KhAD/WAD van 1980 tot 1996.
De Afdeling analyseert de gevolgen van het arrest K. en H.F. van het Hof van Justitie van 2 mei 2018, dat stelt dat het enkel toepassen van artikel 1(F) niet automatisch betekent dat een vreemdeling een actueel, werkelijk en voldoende ernstig gevaar voor de openbare orde vormt. De staatssecretaris moet een individuele beoordeling maken, waarbij ook het gedrag na de gepleegde misdrijven en het tijdsverloop worden meegewogen.
De Afdeling oordeelt dat de staatssecretaris zijn besluit deugdelijk heeft gemotiveerd, waarbij hij terecht zwaar gewicht toekent aan de ernst van de misdrijven en het feit dat de vreemdeling geen berouw toont en zijn betrokkenheid ontkent. De vreemdeling heeft onvoldoende feiten en omstandigheden aangevoerd die aantonen dat hij geen actueel gevaar meer vormt. Ook het beroep op artikel 8 EVRM Pro en gezinsleven faalt omdat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat er een uitzonderlijke afhankelijkheidsrelatie bestaat.
De Afdeling verklaart het hoger beroep van de staatssecretaris gegrond, vernietigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het beroep van de vreemdeling ongegrond.
Uitkomst: Het inreisverbod wordt gehandhaafd omdat de vreemdeling nog steeds een actueel, werkelijk en voldoende ernstig gevaar voor de openbare orde vormt.