ECLI:NL:RVS:2026:3841
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Sevenster
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen uitzettingsbesluit migratie
Appellant werd bij besluit van 6 augustus 2025 door de minister van Asiel en Migratie opgedragen de Europese Unie binnen 28 dagen te verlaten. Hiertegen stelde appellant beroep in bij de rechtbank Den Haag, die dit beroep op 29 april 2026 ongegrond verklaarde.
Appellant stelde vervolgens hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Hoewel appellant bij brief van 27 mei 2026 verzocht om een nadere termijn voor het indienen van gronden, werd dit verzoek afgewezen omdat het buiten de wettelijke mogelijkheden viel en de hogerberoepstermijn was verstreken.
Omdat appellant geen inhoudelijke gronden voor het hoger beroep heeft ingediend en er geen bijzondere omstandigheden (zoals Bahaddar-omstandigheden) aanwezig zijn, verklaarde de Afdeling het hoger beroep niet-ontvankelijk. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet indienen van gronden binnen de wettelijke termijn.