ECLI:NL:RVS:2026:3920
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen uitzetting en toekenning opvang in asielprocedure
Verzoeker heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, die door de minister van Asiel en Migratie bij besluit van 4 maart 2026 buiten behandeling is gesteld. Hiertegen heeft verzoeker beroep ingesteld bij de rechtbank Den Haag, die dit beroep op 2 juni 2026 ongegrond verklaarde. Verzoeker ging in hoger beroep bij de Raad van State en verzocht tevens om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft op 9 juli 2026 besloten om de voorlopige voorziening toe te wijzen. Dit houdt in dat verzoeker niet wordt uitgezet totdat op het hoger beroep is beslist. Tevens is de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van verzoeker, die geheel toe te rekenen zijn aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
De beslissing is genomen op basis van artikel 8:81 en Pro 8:83 van de Algemene wet bestuursrecht, waarbij de voorzieningenrechter de belangen van verzoeker heeft meegewogen en aansluiting heeft gezocht bij eerdere jurisprudentie. De uitspraak is in het openbaar gedaan en ondertekend door mr. M. Soffers, voorzieningenrechter, en mr. S. Nederhoff, griffier.
Uitkomst: Verzoeker wordt beschermd tegen uitzetting en krijgt recht op opvang en verstrekkingen totdat het hoger beroep is beslist.