ECLI:NL:RVS:2026:3927
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen uitzetting in asielprocedure
Verzoeker heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de minister van Asiel en Migratie op 7 oktober 2024 is afgewezen. Verzoeker heeft tegen deze afwijzing beroep ingesteld bij de rechtbank Den Haag, die op 9 juni 2026 het beroep ongegrond verklaarde. Hiertegen is hoger beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Verzoeker heeft tevens een verzoek om voorlopige voorziening ingediend om te voorkomen dat zij wordt uitgezet voordat op het hoger beroep is beslist en om opvang en verstrekkingen te ontvangen. De voorzieningenrechter heeft dit verzoek gegrond verklaard en bepaald dat verzoeker niet mag worden uitgezet zolang het hoger beroep loopt.
Daarnaast is de minister van Asiel en Migratie veroordeeld tot het vergoeden van de proceskosten van verzoeker, een bedrag van € 934,00, toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De uitspraak is gedaan op 7 juli 2026 door voorzieningenrechter J.H. van Breda.
Uitkomst: Verzoeker mag niet worden uitgezet totdat op het hoger beroep is beslist en de minister moet proceskosten vergoeden.