ECLI:NL:RVS:2026:3933
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen uitzetting na afwijzing verblijfsvergunning asiel
Verzoeker heeft bij de minister van Asiel en Migratie een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke op 21 januari 2026 is afgewezen. Hiertegen heeft verzoeker beroep ingesteld bij de rechtbank Den Haag, die op 9 juni 2026 het beroep gegrond verklaarde en het besluit van de minister vernietigde, met behoud van de rechtsgevolgen.
Verzoeker heeft vervolgens hoger beroep ingesteld tegen deze uitspraak en tegelijkertijd een verzoek om voorlopige voorziening ingediend bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De voorzieningenrechter heeft op 7 juli 2026 besloten dat verzoeker niet mag worden uitgezet zolang het hoger beroep loopt en dat hij recht heeft op opvang en verstrekkingen.
Daarnaast is de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van verzoeker, een bedrag van € 934,00, toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De uitspraak is gedaan in het openbaar en ondertekend door de voorzieningenrechter J.H. van Breda en griffier M.C.S. Heinen.
Uitkomst: Verzoeker mag niet worden uitgezet totdat op het hoger beroep is beslist en de minister moet proceskosten vergoeden.