ECLI:NL:RVS:2026:3945
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing naturalisatieverzoek wegens twijfel aan identiteit en nationaliteit
Appellant, afkomstig uit Soedan en sinds meer dan twintig jaar in Nederland verblijvend, verzocht om naturalisatie. De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees dit verzoek af op grond van twijfel aan zijn identiteit en nationaliteit, gebaseerd op twee taalanalyses van Bureau Land en Taal uit 2004. De analyses wezen uit dat appellant niet eenduidig herleidbaar is tot de Soedanese spraak- en cultuurgemeenschap, maar wel tot Nigeria.
Appellant heeft geen contra-expertise overgelegd en evenmin identificerende documenten die de twijfel konden wegnemen. De rechtbank bevestigde het besluit en oordeelde dat appellant niet in bewijsnood verkeert, mede gelet op eerdere uitspraken. Ook werd geoordeeld dat het besluit niet in strijd is met het EVRM, aangezien het zijn gezins- en privéleven in Nederland niet belemmert.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn eerdere gronden, maar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vond geen aanleiding om het oordeel van de rechtbank te wijzigen. De Afdeling benadrukte dat het langdurige verblijf van appellant in Nederland geen vrijstelling van de naturalisatievereisten oplevert. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van het naturalisatieverzoek bevestigd.