ECLI:NL:RVS:2026:3972
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek herinschrijving in basisregistratie personen wegens onvoldoende bewijs van verblijf op adres
Appellant was per 15 september 2023 uitgeschreven uit de basisregistratie personen (brp) omdat uit onderzoek bleek dat hij niet meer op het adres in Rotterdam woonde. Hij verzocht op 8 februari 2024 om herinschrijving op hetzelfde adres, maar dit verzoek werd door het college afgewezen na nieuw onderzoek. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze afwijzing ongegrond. Appellant stelde in hoger beroep dat de rechtbank onvoldoende gewicht had toegekend aan zijn aangevoerde feiten en omstandigheden, zoals het niet functioneren van zijn bel en zijn medische situatie.
De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog dat het doel van de Wet brp is dat de gegevens betrouwbaar zijn en dat de feitelijke verblijfplaats correct wordt geregistreerd. Bij gerede twijfel over het verblijf op het adres ligt de bewijslast bij appellant. Het college had meerdere huisbezoeken uitgevoerd waarbij appellant slechts eenmaal werd aangetroffen, en de woning werd bij een politiebezoek niet als bewoonbaar aangetroffen. Appellant had niet alle gevraagde stukken overlegd en zijn argumenten konden de gerede twijfel niet wegnemen.
De Afdeling vond dat de rechtbank terecht had geoordeeld dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij op het adres woonde. Het feit dat appellant later in november 2024 wel weer op het adres was ingeschreven, was niet relevant voor de periode van het besluit. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en het besluit van het college bleef in stand.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van het verzoek tot herinschrijving blijft in stand.