ECLI:NL:RVS:2026:4017
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen uitzetting na afwijzing verblijfsvergunning asiel
Verzoeker heeft bij de minister van Asiel en Migratie een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke op 11 maart 2026 is afgewezen. Verzoeker stelde hiertegen beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 26 juni 2026 het beroep gegrond verklaarde, het besluit vernietigde, maar de rechtsgevolgen van het besluit in stand liet. Verzoeker ging hiertegen in hoger beroep bij de Raad van State en verzocht tevens om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft op 13 juli 2026 besloten om de voorlopige voorziening toe te wijzen. Dit houdt in dat verzoeker niet wordt uitgezet totdat op het hoger beroep is beslist. Tevens is de minister van Asiel en Migratie veroordeeld tot het vergoeden van de proceskosten van verzoeker, een bedrag van € 934,00, toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
De uitspraak is gedaan in het openbaar en is gebaseerd op artikel 8:81 en Pro 8:83 van de Algemene wet bestuursrecht. De voorzieningenrechter heeft hierbij eerdere jurisprudentie betrokken, waaronder een uitspraak van 20 februari 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:457).
Uitkomst: Verzoeker wordt niet uitgezet totdat op het hoger beroep is beslist en de minister wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.