ECLI:NL:RVS:2026:4023

Raad van State

Datum uitspraak
15 juli 2026
Publicatiedatum
9 juli 2026
Zaaknummer
202305714/1/R4
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5:32a AwbArt. 6 EVRMArt. 2 Besluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen verlenging begunstigingstermijn en proceskostenveroordeling gemeente Utrecht

Appellant, eigenaar van een pand in Utrecht, voert hoger beroep tegen twee uitspraken van de rechtbank Midden-Nederland. Het eerste betreft de verlenging van begunstigingstermijnen door het college van burgemeester en wethouders van Utrecht, het tweede de hoogte van de proceskostenveroordeling in een invorderingsprocedure.

De Afdeling oordeelt dat appellant geen procesbelang heeft bij het hoger beroep tegen de verlenging van de begunstigingstermijn, omdat de last inmiddels is uitgevoerd en appellant geen schade aannemelijk heeft gemaakt. Dit deel van het hoger beroep wordt daarom niet-ontvankelijk verklaard.

Ten aanzien van de proceskostenveroordeling oordeelt de Afdeling dat appellant met een overgelegde factuur aannemelijk heeft gemaakt welk uurtarief hij hanteert, waardoor de rechtbank onjuist het minimumtarief heeft toegepast. De Afdeling vernietigt het vonnis voor zover het college is veroordeeld tot een lager bedrag en veroordeelt het college tot een hogere vergoeding van proceskosten. Het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt afgewezen.

De Afdeling veroordeelt het college tevens tot vergoeding van de proceskosten in hoger beroep en het betaalde griffierecht. Er is geen aanleiding voor vergoeding van proceskosten aan de andere betrokken partijen.

Uitkomst: Hoger beroep tegen verlenging begunstigingstermijn niet-ontvankelijk, hoger beroep tegen proceskostenveroordeling gegrond met toekenning hogere proceskostenvergoeding aan appellant.

Uitspraak

202305714/1/R4.
Datum uitspraak: 15 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in Utrecht,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Midden­-Nederland van 25 juli 2023 in zaak nrs. 22/1547 en 22/3994 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Utrecht.
Procesverloop
Zaak nr. 22/1547
Bij besluit van 13 mei 2020 heeft het college de begunstigingstermijn als bepaald in het besluit van 4 december 2019 verlengd tot 1 augustus 2020.
Bij besluit van 28 juli 2020 heeft het college de begunstigingstermijn als bepaald in het besluit van 4 december 2019 nogmaals verlengd tot 1 oktober 2020.
Bij besluit van 15 februari 2022 heeft het college de door [appellant] gemaakte bezwaren tegen de besluiten van 13 mei 2020 en 28 juli 2020 ongegrond verklaard en de motivering van de besluiten aangevuld.
Bij uitspraak van 25 juli 2023 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Zaak nr. 22/3994
Bij besluit van 7 oktober 2022 heeft het college het verzoek van [appellant] om een invorderingsbeschikking afgewezen.
Bij besluit van 24 februari 2023 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar kennelijk ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 25 juli 2023 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 24 februari 2023 vernietigd en bepaald dat het college binnen zes weken na verzending van de uitspraak een nieuw besluit moet nemen.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Het college en [appellant] hebben nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 8 oktober 2025, waar het college, vertegenwoordigd door mr. H. van Gellekom en mr. M. Snippe, vergezeld door B. Olsthoorn, M. van Ligten, mr. K. van Baaren en C. Heemskerk, is verschenen. Verder is op de zitting [partij A], bijgestaan door mr. P.J. Gijsbertsen, advocaat te Utrecht, als partij gehoord.
Overwegingen
Inleiding en voorgeschiedenis
1.       [appellant] is eigenaar van het pand [locatie 1] in Utrecht, dat grenst aan het pand [locatie 2] dat in eigendom is van [partij A] en [partij B]. In de afgelopen jaren is een juridische strijd ontstaan tussen de eigenaren en de gemeente en de eigenaren onderling. De oorsprong van dit conflict ligt voornamelijk in de bouwkundige staat van de panden en het daaruit voorvloeiende handhavend optreden door het college door middel van het opleggen van diverse lasten met betrekking tot de keldermuur tussen [locatie 1] en [locatie 2], en de door [appellant] gesloopte achtergevel van [locatie 1]. Naast deze procedure loopt er een grote hoeveelheid andere, veelal door [appellant] gestarte, procedures tussen de bij deze zaak betrokken partijen. Veel van deze procedures hangen met elkaar samen.
De Afdeling heeft de zaak op dezelfde dag op een zitting behandeld met zaken nrs. 202304005/1/R4, 202401101/1/R4, 202204378/1/R4, 202306418/1/R4, 202500274/1/R4, 202502500/1/R4, 202400249/1/R4, 202406744/1/R4 en 202405945/1/R4, en zal in elke zaak afzonderlijk uitspraak doen.
Waar gaat deze zaak over?
Begunstigingstermijn
2.       Het college heeft bij besluit van 4 december 2019 aan [partij A] een last onder dwangsom opgelegd waarin [partij A] wordt opgedragen om binnen zes weken na de verzenddatum van het besluit de werfkelder tussen de panden [locatie 2] en [locatie 3] in ieder geval tijdelijk te (laten) herstellen en hersteld te (laten) houden. Deze werfkelder grenst niet aan [locatie 1]. Het hoger beroep van [appellant] richt zich tegen het oordeel van de rechtbank over de verlenging van de begunstigingstermijnen.
Hoogte van de verletkosten
3.       Het hoger beroep richt zich ook tegen het oordeel van de rechtbank in zaak nr. 22/3994 over de hoogte van de verletkosten.
Begunstigingstermijn
4.       [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college in redelijkheid de begunstigingstermijn heeft kunnen verlengen. Volgens hem kan een begunstigingstermijn die in overeenstemming is met de eis uit artikel 5:32a, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, niet worden verlengd. [appellant] wijst daarnaast op het rapport van Strackee van 25 mei 2020 waaruit volgens hem blijkt dat onmiddellijk ingrijpen was vereist bij [locatie 2].
4.1.    [appellant] heeft hoger beroepsgronden aangevoerd tegen de uitspraak van de rechtbank in zaak nr. 22/1547. De Afdeling ziet zich, evenals de rechtbank, eerst ambtshalve gesteld voor de vraag of [appellant] nog procesbelang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van zijn hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de uitspraak van de rechtbank in zaak nr. 22/1547. Procesbelang is het belang dat een appellant heeft bij de uitkomst van een procedure. Dit betekent dat het doel dat de appellant voor ogen staat met het rechtsmiddel kan worden bereikt en voor de appellant van feitelijke betekenis is. Degene die opkomt tegen een besluit heeft belang bij een beoordeling van diens rechtsmiddel, tenzij vast komt te staan dat ieder belang bij de procedure ontbreekt of is vervallen. Als er geen procesbelang (meer) bestaat, is het rechtsmiddel niet-ontvankelijk. De vraag of er procesbelang is, wordt beantwoord naar de stand van zaken op het moment van de uitspraak. Als de appellant stelt schade te hebben geleden, kan ook belang bestaan bij een inhoudelijke beoordeling van het (hoger) beroep. Voor het aannemen van procesbelang moet tot op zekere hoogte aannemelijk zijn dat schade is geleden als gevolg van het besluit.
4.2.    De Afdeling verwijst naar het oordeel dat is gegeven in de uitspraak van vandaag, ECLI:NL:RVS:2026:3936, waarin is overwogen dat de werfkelder tussen de panden [locatie 2] en [locatie 3] is hersteld en de opgelegde last is uitgevoerd. De Afdeling oordeelt dat er daarom geen procesbelang is bij een bespreking van het hoger beroep van [appellant] over de verlenging van de begunstigingstermijnen bij die last.
Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 5 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2323, is daarnaast het uitgangspunt dat het enkele niet vergoeden van bezwaarkosten niet een zelfstandig procesbelang oplevert. Hiervoor gelden twee uitzonderingen. Procesbelang moet wel aanwezig worden geacht als het betrokken bestuursorgaan zijn besluit in bezwaar heeft herroepen zonder daarbij een vergoeding van bezwaarkosten toe te kennen terwijl daar wel om was gevraagd, of als de hoogte van een toegekende vergoeding van bezwaarkosten in geschil is. Van deze uitzonderingen is in deze zaak geen sprake. De Afdeling oordeelt dat [appellant] in zoverre ook geen procesbelang in hoger beroep heeft.
De Afdeling is verder van oordeel dat [appellant] niet tot op zekere hoogte aannemelijk heeft gemaakt dat hij door de besluiten waarbij de begunstigingstermijnen zijn verlengd, schade heeft geleden. Daarbij is van belang dat uit het rapport van Strackee van 25 mei 2020 niet blijkt dat vertragingsschade is geleden door [appellant].
Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat [appellant] geen belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van zijn hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de uitspraak van de rechtbank in zaak nr. 22/1547. Dit betekent dat de Afdeling dat hoger beroep niet-ontvankelijk zal verklaren en de hoger beroepsgrond van [appellant] over het verlengen van de begunstigingstermijn niet zal behandelen.
Hoogte van de verletkosten
5.       [appellant] betoogt verder dat de rechtbank een te lage proceskostenveroordeling heeft toegekend in zaak nr. 22/3994. Volgens hem heeft de rechtbank ten onrechte de te vergoeden verletkosten vastgesteld op € 16,00 aan de hand van het minimum van € 8,00 per uur zoals genoemd in artikel 2, eerste lid, onder e, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Bpb). Daartoe wijst [appellant] erop dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij niet heeft aangetoond dat het uurtarief van € 196,00 door hem in rekening is gebracht en betaald. Volgens [appellant] heeft de rechtbank daarmee een onjuiste maatstaf aangelegd, omdat volgens hem alleen van belang is of uit de factuur voldoende blijkt wat het gehanteerde uurtarief is. Daartoe wijst hij op een factuur die hij heeft overgelegd ter onderbouwing van het uurtarief dat hij hanteert voor zijn eenmanszaak. De bij de rechtbank overgelegde factuur vormt volgens hem een toereikende onderbouwing van zijn uurtarief. Daarnaast betoogt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte een forfaitair aantal uren van 2 heeft gehanteerd, in plaats van de door hem gestelde 3,5 uren.
5.1.    [appellant] heeft ter onderbouwing van de gemaakte verletkosten een factuur ingediend. Anders dan de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat [appellant] met het overleggen van deze factuur aannemelijk heeft gemaakt welk uurtarief hij als exploitant van zijn eenmanszaak hanteert. In dat verband is van belang dat het overleggen van een factuur voor iemand die niet in loondienst is en dus geen salarisstroken kan overleggen, een voor de hand liggende manier is om de hoogte van zijn verletkosten inzichtelijk te maken. Er bestaat ook geen grond om eraan te twijfelen dat [appellant] de op de factuur vermelde bedragen daadwerkelijk bij een cliënt in rekening heeft gebracht en dat hij dus daadwerkelijk het op de factuur vermelde uurtarief hanteert. Het voorgaande leidt de Afdeling tot de conclusie dat de rechtbank bij het berekenen van de te vergoeden verletkosten niet heeft mogen uitgaan van het minimum dat is genoemd in het Bpb. De rechtbank had, in aanmerking genomen dat het door [appellant] gehanteerde uurtarief het maximale bedrag van artikel 2, eerste lid, onder e, van het Bpb te boven gaat, juist van het maximum moeten uitgaan.
[appellant] heeft zijn stelling dat een forfaitair aantal uren van 3,5 gehanteerd had moeten worden, niet alsnog met gegevens of bescheiden over zijn verblijfplaats onderbouwd. Omdat zijn eenmanszaak staat ingeschreven in Utrecht en bij het ontbreken van verdere concrete adresgegevens, is de rechtbank terecht uitgegaan van het forfaitair aantal van 2 uur per zitting.
Het betoog slaagt.
Overschrijding redelijke termijn
6.       [appellant] heeft in zijn hoger beroep voor zover dat is gericht tegen de uitspraak van de rechtbank in zaak nr. 22/1547 verzocht om een schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Zoals uit overweging 1 volgt, ligt de oorsprong van dit conflict in handhavend optreden dat onderdeel is van de uitspraak van vandaag, ECLI:NL:RVS:2026:3934. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van vandaag, ECLI:NL:RVS:2026:3934, onder overweging 17 en verder, waarin het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn is toegewezen, kan in deze procedure daarom worden volstaan met de vaststelling dat de redelijke termijn is overschreden. Het is niet aannemelijk dat door deze procedure extra spanning en frustratie bij [appellant] is veroorzaakt. Gelet op het voorgaande wijst de Afdeling het verzoek van [appellant] om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn af.
Conclusie
7.       Het hoger beroep voor zover gericht tegen de uitspraak van de rechtbank in zaak nr. 22/1547 is niet-ontvankelijk. Het hoger beroep voor zover gericht tegen de uitspraak van de rechtbank in zaak nr. 22/3994 is gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd voor zover het college is veroordeeld tot betaling van € 5.442,00 aan proceskosten. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het college veroordelen tot betaling van een hoger bedrag aan proceskosten in beroep. Daarbij zal de Afdeling voor de verletkosten in zaak nr. 22/3994 uitgaan van het nu geldende maximale uurtarief van het Bpb, met handhaving van het aantal uren waarvan de rechtbank is uitgegaan. Het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt afgewezen.
8.       Het college moet de proceskosten van [appellant] vergoeden. Ten aanzien van [partij A] en [partij B] bestaat geen aanleiding voor een vergoeding van de gemaakte proceskosten.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep, voor zover gericht tegen de uitspraak van de rechtbank in zaak nr. 22/1547, niet-ontvankelijk;
II.       verklaart het hoger beroep, voor zover gericht tegen de uitspraak van de rechtbank in zaak nr. 22/3994, gegrond;
III.      vernietigt de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 25 juli 2023, in zaak nr. 22/3994, voor zover het college van burgemeester en wethouders van Utrecht is veroordeeld in de proceskosten tot een bedrag van € 5.442,00;
IV.     veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Utrecht tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 5.644,00;
V.      wijst het verzoek om schadevergoeding af;
VI.     veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Utrecht tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00;
VII.     gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Utrecht aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 274,00 vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. E.A. Minderhoud, voorzitter, en mr. N.H. van den Biggelaar en mr. A.B. Blomberg, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Hielkema, griffier.
w.g. Minderhoud
voorzitter
w.g. Hielkema
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 15 juli 2026
700-1096