ECLI:NL:RVS:2026:4037
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen uitzetting in asielprocedure
Verzoeker heeft een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend, die door de minister van Asiel en Migratie op 16 april 2025 is afgewezen. De rechtbank heeft op 4 maart 2026 het beroep van verzoeker gegrond verklaard en het besluit van de minister vernietigd, maar de rechtsgevolgen van het besluit in stand gelaten. Verzoeker stelde hiertegen hoger beroep in, evenals de minister incidenteel.
Verzoeker vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen zodat hij niet uitgezet wordt voordat het hoger beroep is beslist en om opvang en verstrekkingen te ontvangen. De voorzieningenrechter oordeelde dat op grond van de aangevoerde omstandigheden en eerdere jurisprudentie een voorlopige voorziening passend is.
De voorzieningenrechter bepaalde dat verzoeker niet mag worden uitgezet zolang het hoger beroep loopt en veroordeelde de minister tot vergoeding van de proceskosten van verzoeker, die geheel toe te rekenen zijn aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De uitspraak werd op 14 juli 2026 in het openbaar uitgesproken.
Uitkomst: Verzoeker mag niet worden uitgezet totdat het hoger beroep is beslist en de minister moet proceskosten vergoeden.