ECLI:NL:RVS:2026:4046

Raad van State

Datum uitspraak
13 juli 2026
Publicatiedatum
13 juli 2026
Zaaknummer
202406290/1/V1
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75a AwbArt. 8:75 AwbArt. 6:20 AwbArt. 6:24 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenveroordeling na intrekking hoger beroep in asielzaak wegens overschrijding beslistermijn

Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank over de verlenging van de beslistermijn in een asielzaak. Na intrekking van het hoger beroep verzocht verzoeker om proceskostenvergoeding op grond van artikel 8:75a Awb.

De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog dat de minister ondanks de discussie over de rechtmatigheid van de verlenging van de beslistermijn, de maximale beslistermijn van vijftien maanden heeft overschreden bij de beslissing op de asielaanvraag. Dit leidde tot toewijzing van het verzoek om proceskostenvergoeding.

De minister werd veroordeeld tot vergoeding van € 467,00 aan proceskosten, waarbij rekening werd gehouden met een wegingsfactor van 0,5 omdat het hoger beroep uitsluitend ging over de niet-tijdige besluitvorming. Het besluit van 23 juni 2026 waarin de asielaanvraag werd ingewilligd, werd niet bestreden door verzoeker.

De uitspraak bevestigt dat overschrijding van de beslistermijn in asielzaken kan leiden tot proceskostenveroordeling, ook als het hoger beroep wordt ingetrokken en de inhoudelijke rechtmatigheid van de verlenging niet doorslaggevend is.

Uitkomst: De minister wordt veroordeeld tot vergoeding van € 467,00 aan proceskosten wegens overschrijding van de beslistermijn in de asielaanvraag.

Uitspraak

202406290/1/V1.
Datum uitspraak: 13 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het verzoek van:
[verzoeker],
verzoeker,
om proceskostenveroordeling in geval van intrekking van het hoger beroep (artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)).
Procesverloop
Verzoeker, vertegenwoordigd door mr. F. Zeven, advocaat in Amsterdam, heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 17 september 2024 in zaak nr. NL24.33262.
De minister van Asiel en Migratie heeft een nader stuk ingediend.
Verzoeker heeft het hoger beroep ingetrokken en de Afdeling verzocht om de minister te veroordelen in de bij haar opgekomen proceskosten.
Overwegingen
Het verzoek om een proceskostenveroordeling
1.       Verzoeker heeft het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig een verzoek gedaan om de minister krachtens artikel 8:75 van Pro de Awb in de proceskosten te veroordelen. Daarvoor kan aanleiding bestaan als de minister aan verzoeker is tegemoetgekomen of als het belang bij een uitspraak op het hoger beroep anderszins door toedoen van de minister is vervallen (uitspraak van de Afdeling van 5 augustus 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1855, onder 2.1).
2.       Het hoger beroep gaat over de rechtmatigheid van het door de minister verlengen van de beslistermijn met WBV 2023/3 in asielzaken. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 10 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2829, hierover prejudiciële vragen gesteld. Het Hof van Justitie heeft in zijn arrest van 5 maart 2026, Safita, ECLI:EU:C:2026:160, antwoord gegeven op die vragen. Het antwoord op de rechtsvraag of de minister die beslistermijn rechtmatig heeft verlengd, heeft in dit geval geen invloed op de vraag of verzoeker zijn proceskosten vergoed moet krijgen. In dit geval heeft de minister op 23 juni 2026 een besluit genomen op een aanvraag van verzoeker om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen. De minister heeft, ongeacht de rechtmatigheid van de verlenging van de beslistermijn, ook de beslistermijn van vijftien maanden overschreden. De Afdeling ziet daarom aanleiding om de minister in de proceskosten te veroordelen.
3.       De Afdeling wijst het verzoek toe. De minister moet de in verband met het hoger beroep gemaakte proceskosten vergoeden (een punt voor het hogerberoepschrift). Het hoger beroep gaat uitsluitend over het door de minister niet tijdig nemen van een besluit op de asielaanvraag. De Afdeling past daarom wegingsfactor 0,5 toe.
Het besluit van 23 juni 2026
4.       De minister heeft in het besluit van 23 juni 2026 de asielaanvraag van verzoeker ingewilligd. Verzoeker heeft niet laten weten het niet eens te zijn met dit besluit. Er is geen beroep van rechtswege ontstaan, als bedoeld in artikel 6:20, derde lid, gelezen in samenhang met artikel 6:24 van Pro de Awb, waarop de Afdeling nog moet beslissen.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij verzoeker in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 467,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. M. Soffers, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. E.E. Pronk, griffier.
w.g. Soffers
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Pronk
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 13 juli 2026
1028