ECLI:NL:RVS:2026:4064
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen uitzetting en toekenning opvang in asielprocedure
Verzoeker heeft bij de minister van Asiel en Migratie een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke op 7 oktober 2025 is afgewezen. Hiertegen heeft verzoeker beroep ingesteld bij de rechtbank Den Haag, die dit beroep op 9 juni 2026 niet-ontvankelijk heeft verklaard. Verzoeker is vervolgens in hoger beroep gegaan bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en heeft tevens een verzoek om voorlopige voorziening ingediend.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek om een voorlopige voorziening toegewezen. Dit betekent dat verzoeker niet mag worden uitgezet voordat op het hoger beroep is beslist. Tevens is bepaald dat verzoeker recht heeft op opvang en verstrekkingen gedurende deze periode. De minister van Asiel en Migratie is bovendien veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van verzoeker, een bedrag van € 934,00, toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
De uitspraak is gedaan op 13 juli 2026 door voorzieningenrechter J.C.A. de Poorter, in aanwezigheid van griffier E.L. Iedema. De beslissing volgt op eerdere jurisprudentie van de Raad van State inzake voorlopige voorzieningen in asielzaken.
Uitkomst: Verzoeker wordt niet uitgezet en krijgt opvang en verstrekkingen totdat het hoger beroep is beslist.