ECLI:NL:RVS:2026:4064

Raad van State

Datum uitspraak
13 juli 2026
Publicatiedatum
13 juli 2026
Zaaknummer
BRS.26.003507
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen uitzetting en toekenning opvang in asielprocedure

Verzoeker heeft bij de minister van Asiel en Migratie een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke op 7 oktober 2025 is afgewezen. Hiertegen heeft verzoeker beroep ingesteld bij de rechtbank Den Haag, die dit beroep op 9 juni 2026 niet-ontvankelijk heeft verklaard. Verzoeker is vervolgens in hoger beroep gegaan bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en heeft tevens een verzoek om voorlopige voorziening ingediend.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek om een voorlopige voorziening toegewezen. Dit betekent dat verzoeker niet mag worden uitgezet voordat op het hoger beroep is beslist. Tevens is bepaald dat verzoeker recht heeft op opvang en verstrekkingen gedurende deze periode. De minister van Asiel en Migratie is bovendien veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van verzoeker, een bedrag van € 934,00, toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

De uitspraak is gedaan op 13 juli 2026 door voorzieningenrechter J.C.A. de Poorter, in aanwezigheid van griffier E.L. Iedema. De beslissing volgt op eerdere jurisprudentie van de Raad van State inzake voorlopige voorzieningen in asielzaken.

Uitkomst: Verzoeker wordt niet uitgezet en krijgt opvang en verstrekkingen totdat het hoger beroep is beslist.

Uitspraak

BRS.26.003507
Datum uitspraak: 13 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
[verzoeker],
verzoeker,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 9 juni 2026 in zaak nr. NL25.53305 in het geding tussen:
verzoeker
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 7 oktober 2025 heeft de minister een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 9 juni 2026 heeft de rechtbank het daartegen door verzoeker ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft verzoeker hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1.        Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht om de voorlopige voorziening te treffen dat hij niet wordt uitgezet voordat op het hoger beroep is beslist en dat hij opvang en verstrekkingen krijgt.
2.        Gelet op wat is aangevoerd, treft de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening (uitspraak van de Afdeling van 20 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:457).
3.        De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat verzoeker niet wordt uitgezet, totdat op het door hem ingestelde hoger beroep is beslist;
II.        veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij verzoeker in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00 geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. E.L. Iedema, griffier.
w.g. De Poorter
voorzieningenrechter
w.g. Iedema
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 13 juli 2026
915-1163