ECLI:NL:RVS:2026:4067

Raad van State

Datum uitspraak
15 juli 2026
Publicatiedatum
13 juli 2026
Zaaknummer
BRS.25.000227
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J.Th. Drop
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 6:22 AwbArt. 91 Vw 2000
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging uitspraak rechtbank wegens nalaten proceskostenvergoeding in machtiging voorlopig verblijf zaak

Appellanten hebben bij besluiten van 1 november 2022 een machtiging tot voorlopig verblijf aangevraagd, welke door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid zijn afgewezen. Na een ongegrond verklaard bezwaar op 27 augustus 2024, verklaarde de rechtbank Den Haag op 5 februari 2025 het beroep van appellanten ongegrond.

Appellanten stelden hoger beroep in tegen deze uitspraak. In het hoger beroep werd geoordeeld dat de rechtbank ten onrechte het gebrek in de ondertekening van het besluit had gepasseerd zonder de minister te veroordelen tot proceskostenvergoeding, hetgeen aanleiding gaf tot vernietiging van dat deel van het vonnis.

De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigde het overige oordeel van de rechtbank en veroordeelde de minister tot vergoeding van de proceskosten die appellanten in beroep en hoger beroep hebben gemaakt, ter hoogte van € 2.802,00, toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank vernietigd voor zover deze naliet de minister te veroordelen tot proceskostenvergoeding.

Uitspraak

BRS.25.000227
Datum uitspraak: 15 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het hoger beroep van:
[appellant 1], [appellant 2], [appellant 3], [appellant 4] en [appellant 5],
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 5 februari 2025 in zaak nr. NL24.37099 in het geding tussen:
appellanten
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluiten van 1 november 2022 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid aanvragen om appellanten een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.
Bij besluit van 27 augustus 2024 heeft de staatssecretaris het daartegen door appellanten gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 5 februari 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellanten ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak hebben appellanten, vertegenwoordigd door mr A.C.J. Letmaath, advocaat in Uden, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1.        In de tweede grief betogen appellanten terecht dat het feit dat de rechtbank het geconstateerde gebrek in de ondertekening van het besluit heeft gepasseerd, had moeten leiden tot een proceskostenveroordeling. De rechtbank had aanleiding moeten zien om de minister te veroordelen in de proceskosten, omdat zij dit gebrek heeft gepasseerd met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 24 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:701. De grief slaagt.
2.        Wat appellanten in de overige grieven hebben aangevoerd, leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000). Ook roept het hogerberoepschrift geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 24).
3.        Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank voor zover zij heeft nagelaten de minister te veroordelen tot vergoeding van de bij appellanten in beroep opgekomen proceskosten. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank voor het overige. De minister moet de proceskosten die de rechtbank in beroep ten onrechte niet heeft toegekend en de proceskosten voor het indienen van het hogerberoepschrift vergoeden. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep gegrond;
II.        vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 5 februari 2025 in zaak nr. NL24.37099, voor zover zij heeft nagelaten de minister van Asiel en Migratie te veroordelen tot vergoeding van bij appellanten in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten;
III.        bevestigt die uitspraak voor het overige;
IV.        veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellanten in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.802,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.W. Prins, griffier.
Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen
w.g. Prins
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 15 juli 2026
363-1143