ECLI:NL:RVS:2026:4072

Raad van State

Datum uitspraak
15 juli 2026
Publicatiedatum
14 juli 2026
Zaaknummer
202601266/1/R1 en 202601266/3/R1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:72 AwbArt. 8:85 AwbArt. 8:86 AwbArt. 8:87 AwbArt. 4.6 Iw Ow
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging handhaving beëindiging permanente bewoning recreatiewoningen in strijd met bestemmingsplan

Het college van burgemeester en wethouders van Schagen legde op 5 juni 2025 aan verzoekers lasten onder dwangsom op om het gebruik van recreatiewoningen aan de Westerduinweg 34 in Sint Maartensvlotbrug voor permanente bewoning door seizoenarbeiders te beëindigen. Verzoekers, eigenaren van deze recreatiewoningen, verhuren deze aan voornamelijk Oost-Europese seizoenarbeiders, waaronder 28 Oekraïners. Zij erkenden dat permanente bewoning niet is toegestaan, maar vreesden dakloosheid van de Oekraïense bewoners.

De rechtbank verklaarde de beroepen van verzoekers ongegrond en verlengde de begunstigingstermijn van de dwangsommen. Verzoekers stelden hoger beroep in bij de Raad van State en vroegen om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter oordeelde dat handhaving niet in strijd is met het vertrouwensbeginsel, omdat de gedoogperiode tot 31 december 2024 liep en verzoekers niet persoonlijk geïnformeerd hoefden te worden over het einde daarvan.

Ook werd geoordeeld dat handhaving niet onevenredig is, aangezien verzoekers zelf verantwoordelijk zijn voor het beëindigen van de overtreding en het helpen van huurders bij het vinden van alternatieve woonruimte. Het college kon op korte termijn opvang bieden aan een deel van de Oekraïners, en het is gebruikelijk dat werkgevers woonruimte regelen voor seizoenarbeiders.

De voorlopige voorziening van 30 april 2026 verviel automatisch bij deze uitspraak, maar de voorzieningenrechter verlengde de begunstigingstermijn met vier weken om directe dakloosheid te voorkomen. De uitspraak bevestigt daarmee het handhavingsbesluit en wijst de beroepen af.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het handhavingsbesluit bevestigd met verlenging van de begunstigingstermijn met vier weken.

Uitspraak

202601266/1/R1 en 202601266/3/R1.
Datum uitspraak: 15 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in verband met een ambtshalve ingesteld onderzoek naar het bestaan van aanleiding voor opheffing of wijziging (artikel 8:87 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb)) van de bij uitspraak van de voorzieningenrechter van 30 april 2026 in zaak nr. 202601266/2/R1 getroffen voorlopige voorziening, en met toepassing van artikel 8:86 van Pro die wet, op het hoger beroep van:
[verzoeker A] en [verzoeker B], beiden wonend in Sint Maartensvlotbrug, gemeente Schagen,
verzoekers,
tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord­Holland (de rechtbank) van 21 april 2026 in zaken nrs. 26/1700 en 26/1920 in de gedingen tussen:
1.       [verzoeker A];
2.       [verzoeker B] en anderen
en
het college van burgemeester en wethouders van Schagen.
Procesverloop
Bij besluiten van 5 juni 2025 heeft het college aan [verzoeker A] en [verzoeker B] lasten onder dwangsom opgelegd. De lasten houden in dat het gebruik van een aantal recreatiewoningen aan de Westerduinweg 34 in Sint Maartensvlotbrug voor bewoning door seizoenarbeiders moet worden beëindigd en beëindigd moet worden gehouden.
Bij besluiten van 4 maart 2026 en 5 maart 2026 zijn de bezwaren van [verzoeker B] en [verzoeker A] tegen die besluiten ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 21 april 2026 heeft de rechtbank de daartegen door [verzoeker A] en [verzoeker B] en anderen ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Verder heeft de rechtbank met toepassing van artikel 8:72, vijfde lid van de Awb, bij wijze van voorlopige voorziening de begunstigingstermijn van de lasten onder dwangsom verlengd tot twee weken na de datum van verzending van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak hebben [verzoeker A] en [verzoeker B] hoger beroep ingesteld.
Ook hebben zij de voorzieningenrechter van de Afdeling gevraagd een voorlopige voorziening te treffen.
Bij uitspraak van 30 april 2026 in zaak nr. 202601266/2/R1 heeft de voorzieningenrechter de voorlopige voorziening getroffen dat de voorlopige voorziening die de rechtbank heeft getroffen wordt verlengd tot de uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling waarin wordt beoordeeld of aanleiding bestaat de getroffen voorlopige voorziening op te heffen of te wijzigen.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend
[verzoeker A] en [verzoeker B] hebben nadere stukken ingediend.
De voorzieningenrechter heeft de zaak op zitting behandeld op 28 mei 2026, waar [verzoeker A] en [verzoeker B], bijgestaan door mr. E.M.M. Eyking, rechtsbijstandsverlener in Schagerbrug, en het college, vertegenwoordigd door mr. A.J. van Reeuwijk en mr. J. Schouten, zijn verschenen. Verder zijn op zitting [partij A] en [partij B], bij monde van [partij A], en [partij C] en [partij D], bij monde van [partij C], als partijen gehoord.
De voorzieningenrechter heeft het onderzoek op zitting geschorst om partijen in de gelegenheid te stellen nadere stukken in te dienen. Het college en [verzoeker A] en [verzoeker B] hebben van die gelegenheid gebruik gemaakt.
Vervolgens heeft de voorzieningenrechter het onderzoek gesloten nadat geen van de partijen heeft verklaard gebruik te willen maken van het recht om op een nadere zitting te worden gehoord.
Overwegingen
Uitspraak in de hoofdzaak
1.       In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.
Inleiding
2.       [verzoeker A] en [verzoeker B] zijn eigenaren van recreatiewoningen op het Park Duinland aan de Westerduinweg 34 in Sint Maartensvlotbrug in de gemeente Schagen. Zij verhuren deze recreatiewoningen aan personen met een Oost-Europese nationaliteit die er wonen, onder wie 28 met de Oekraïense nationaliteit. De meeste van deze personen werken in de omgeving via onder meer uitzendbureaus. [verzoeker A] en [verzoeker B] hebben op de zitting erkend dat de permanente bewoning van hun recreatiewoningen niet is toegestaan, maar zij vrezen dat de Oekraïners dakloos worden als gevolg van de lasten onder dwangsommen.
[partij A] en [partij B] hebben op 25 februari 2025 een verzoek ingediend bij het college om handhavend op te treden tegen de permanente bewoning van de recreatiewoningen. Zij zijn ook eigenaren van een recreatiewoning op het terrein. Ook [partij C] en [partij D[ zijn eigenaren van een recreatiewoning op het terrein. Zij zeggen overlast te ondervinden van de permanente bewoning van de recreatiewoningen.
3.       Uit de verbeelding behorende bij het bestemmingsplan "Buitengebied Zijp" volgt dat aan de recreatiewoningen de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatie 1" is toegekend. Dit bestemmingsplan maakt op grond van artikel 4.6, eerste lid, aanhef en onder g, van de Invoeringswet Omgevingswet (Iw Ow) deel uit van het tijdelijke deel van het omgevingsplan als bedoeld in artikel 22.1 van de Omgevingswet (hierna: Ow). Om het wat betreft terminologie niet onnodig ingewikkeld te maken, zal de voorzieningenrechter in het vervolg van de uitspraak echter nog steeds spreken over het bestemmingsplan.
Naar aan aanleiding van het handhavingsverzoek heeft het college de lasten onder dwangsom opgelegd aan [verzoeker A] en [verzoeker B]. Volgens het college hebben zij artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet overtreden. Daarin is bepaald dat het verboden is zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten. Voor de permanente bewoning van de recreatiewoningen is een omgevingsvergunning nodig. Dit is namelijk een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, omdat de permanente bewoning in strijd is met de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatie 1". Het college heeft er daarbij op gewezen dat in artikel 20.5.2, aanhef en onder c, van de regels van het bestemmingsplan staat dat onder strijdig gebruik met de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatie 1" onder meer wordt begrepen het gebruiken of laten gebruiken van bouwwerken of gronden voor de huisvesting van seizoenarbeiders.
Oordeel van de voorzieningenrechter
4.       De voorzieningenrechter is van oordeel dat het hoger beroep ongegrond is en bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De voorzieningenrechter zal dit oordeel hierna motiveren aan de hand van de bespreking van de hoger beroepsgronden van [verzoeker A] en [verzoeker B]. De voorzieningenrechter zal tot slot ingaan op de getroffen voorlopige voorziening. Hij verlengt de begunstigingstermijn met vier weken.
Toetsingskader
5.       Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 5 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:678, geldt bij handhavingsbesluiten bij de toets aan het evenredigheidsbeginsel de maatstaf van de zogeheten Harderwijk-uitspraak (uitspraak van 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:285). Daarbij geldt als uitgangspunt dat het algemeen belang gediend is met handhaving en dat om die reden in de regel tegen een overtreding moet worden opgetreden. Handhaving blijft dus voorop staan.
Handhavend optreden is alleen onevenredig als er in het concrete geval omstandigheden zijn waaraan een zodanig zwaar gewicht toekomt dat het algemeen belang dat gediend is met handhaving daarvoor moet wijken. Dan is er een bijzonder geval waarin toch van handhavend optreden moet worden afgezien. Een bijzonder geval kan zich bijvoorbeeld voordoen bij concreet zicht op legalisatie, maar ook andere omstandigheden van het concrete geval kunnen leiden tot het oordeel dat er een bijzonder geval is.
Andere redenen om van handhavend optreden af te zien kunnen zich bijvoorbeeld voordoen bij een schending van het gelijkheidsbeginsel of het vertrouwensbeginsel.
Strijd met het vertrouwensbeginsel?
6.       [verzoeker A] en [verzoeker B] betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat handhavend optreden niet in strijd is met het vertrouwensbeginsel. Volgens hen mochten zij er gerechtvaardigd op vertrouwen dat er niet handhavend zou worden opgetreden tegen de permanente bewoning van Oekraïners in hun recreatiewoningen. Zij wijzen er daarbij op dat zij in 2022 van de burgemeester een doos chocolade als blijk van waardering hebben gekregen, omdat zij Oekraïners opvingen in hun recreatiewoningen. Zij zijn er nooit persoonlijk van op de hoogte gesteld dat niet langer zou worden gedoogd.
6.1.    Wie zich beroept op het vertrouwensbeginsel moet aannemelijk maken dat van de kant van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit hij/zij in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of het bestuursorgaan een bepaalde bevoegdheid zou uitoefenen en zo ja hoe.
6.2.    De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het handhavend optreden van het college niet in strijd is met het vertrouwensbeginsel. Uit de blijk van waardering van de burgemeester in 2022 konden [verzoeker A] en [verzoeker B] redelijkerwijs niet afleiden dat de opvang van Oekraïners in hun recreatiewoningen blijvend zou worden gedoogd. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, is toen namelijk afgezien van handhavend optreden vanwege de acute noodsituatie die door de oorlog in Oekraïne was ontstaan. [verzoeker A] en [verzoeker B] konden er alleen gerechtvaardigd op vertrouwen dat tot 31 december 2024 niet handhavend zou worden opgetreden tegen de bewoning van hun recreatiewoningen door Oekraïners. In een publicatie in het blad "Noordkop Centraal" staat namelijk dat het college de bewoning van onder meer recreatiewoningen door Oekraïense vluchtelingen tot 31 december 2024 gedoogt en dat het deze maatregel voor 30 juni 2024 heroverweegt. Daarna heeft het college niet laten weten dat het de bewoning van recreatiewoningen door Oekraïners ook na 31 december 2024 zou gedogen. Anders dan [verzoeker A] en [verzoeker B] betogen, hoefde het college hen er niet persoonlijk van op de hoogte te stellen dat niet langer zou worden gedoogd.
Het betoog slaagt niet.
Handhaving onevenredig?
7.       [verzoeker A] en [verzoeker B] betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat handhavend optreden niet onevenredig is. Volgens hen heeft de rechtbank ten onrechte niet onderkend dat Oekraïners geen reguliere seizoenarbeiders zijn. Zij zijn namelijk gevlucht voor de oorlog in Oekraïne en het college moet op grond van artikel 2 van Pro de Regeling opvang ontheemden Oekraïne zorg dragen voor de opvang van Oekraïense ontheemden, anders dan bij reguliere seizoenarbeiders. Volgens hen is het college niet duidelijk geweest over de vraag of het voldoende opvang kan bieden aan de Oekraïners die in hun recreatiewoningen wonen. Zij vinden dat het college pas handhavend kan optreden als duidelijk is dat er voldoende opvang beschikbaar is voor de Oekraïners.
7.1.    De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat handhavend optreden niet onevenredig is. Het is de verantwoordelijkheid van [verzoeker A] en [verzoeker B] om de overtreding te beëindigen en van hen mag dus ook worden verwacht om de personen aan wie zij hun recreatiewoningen verhuren zo nodig te helpen met het vinden van vervangende woonruimte. Overigens heeft de voorzieningenrechter om daarover duidelijkheid te krijgen op de zitting aan het college gevraagd om na te gaan of het opvang kan bieden aan de Oekraïners die in de recreatiewoningen van [verzoeker A] en [verzoeker B] verblijven. Naast hun verantwoordelijkheid is immers ook de gemeente verantwoordelijk voor de opvang van Oekraïeners die gevlucht zijn voor de oorlog. Na de zitting heeft het college op 11 juni 2026 laten weten dat het op korte termijn opvang kan bieden aan een aantal Oekraïners. [verzoeker A] en [verzoeker B] vrezen dat de overige Oekraïners dakloos worden, maar het college heeft erop gewezen dat het gebruikelijk is dat uitzendbureaus en andere werkgevers zorg dragen voor woonruimte voor de seizoenarbeiders die bij hen in dienst zijn. Er is geen aanleiding om te oordelen dat dit in dit geval niet zal gebeuren.
Het betoog slaagt niet.
Voorlopige voorziening
8.       De voorlopige voorziening die is getroffen in de uitspraak van 30 april 2026 vervalt automatisch op grond van artikel 8:85, tweede lid, aanhef en onder c, van de Awb, omdat de voorzieningenrechter uitspraak doet in de hoofdzaak. In dat artikel is namelijk bepaald dat de voorlopige voorziening vervalt zodra de bestuursrechter uitspraak heeft gedaan. Dat betekent dat in deze uitspraak niet hoeft te worden beoordeeld of die voorlopige voorziening moet worden gewijzigd of opgeheven.
9.       De voorzieningenrechter ziet als rechter die uitspraak doet in de hoofdzaak echter wel aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb een voorlopige voorziening treffen om te voorkomen dat de personen die in de recreatiewoningen van [verzoeker A] en [verzoeker B] wonen deze per direct moeten verlaten. Deze voorlopige voorziening houdt in dat de begunstigingstermijn wordt verlengd tot vier weken na de dag van de verzending van deze uitspraak.
Proceskosten
10.     Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        bevestigt de aangevallen uitspraak;
II.       treft de voorlopige voorziening dat de begunstigingstermijn die is verbonden aan de besluiten van het van burgemeester en wethouders van Schagen van 5 juni 2025, kenmerk Z2025-00000768 en van 4 en 5 maart 2026, kenmerken Z2025-00002371 en Z2025-00002333 wordt verlengd tot vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. D.A. Verburg, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. A.L. van Driel Kluit, griffier.
w.g. Verburg
voorzieningenrechter
w.g. Van Driel Kluit
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 15 juli 2026
703