ECLI:NL:RVS:2026:4074

Raad van State

Datum uitspraak
16 juli 2026
Publicatiedatum
14 juli 2026
Zaaknummer
BRS.26.002132
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • M. den Heyer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 59 Vw 2000Art. 15 VerblijfsrichtlijnArt. 20 VWEUArt. 21 VWEU
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging bewaring burger van de Unie door minister van Asiel en Migratie

De minister van Asiel en Migratie stelde appellant, een burger van de Unie, op 12 maart 2026 in bewaring. Appellant stelde hiertegen beroep in bij de rechtbank Den Haag, die dit beroep op 22 april 2026 ongegrond verklaarde en het verzoek om schadevergoeding afwees. Appellant ging in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

In het hoger beroep werd onder meer de vraag opgeworpen of een burger van de Unie op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 in bewaring kan worden gesteld. De Afdeling verwees naar relevante jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie, waaronder het arrest Ordre des barreaux francophones et germanophone e.a., en concludeerde dat de nationale regels ter implementatie van de Terugkeerrichtlijn ook op Unieburgers kunnen worden toegepast mits deze regels niet ongunstiger zijn dan die voor derdelanders en voldoen aan de bepalingen over vrijheid van verkeer en verblijf.

De Afdeling oordeelde dat de grieven van appellant niet slaagden en dat er geen reden was om de bewaring onrechtmatig te achten. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de bewaring van appellant bevestigd.

Uitspraak

BRS.26.002132
Datum uitspraak: 16 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 22 april 2026 in zaak nr. NL26.15257 in het geding tussen:
[appellant]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 12 maart 2026 heeft de minister appellant in bewaring gesteld.
Bij uitspraak van 22 april 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. J. van Bennekom, advocaat in Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1.        Appellant werpt in een van de grieven de vraag op of hij, als burger van de Unie, op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 in bewaring kan worden gesteld. Het aan appellant op 28 oktober 2024 uitgereikte besluit van 26 oktober 2021 is een besluit tot verwijdering als bedoeld in artikel 15 van Pro de Verblijfsrichtlijn. Op een dergelijk besluit kunnen de overwegingen van het Hof van Justitie in het arrest van 22 juni 2021, Ordre des barreaux francophones et germanophone e.a., ECLI:EU:C:2021:505, punten 33 tot en met 39, analoog worden toegepast. Bij gebreke van een Unierechtelijke regeling in de Verblijfsrichtlijn onderzoekt het Hof in deze punten of lidstaten de nationale regels ter implementatie van de Terugkeerrichtlijn, die betrekking heeft op derdelanders, mogen gebruiken om Unieburgers in bewaring te stellen. Het Hof acht dit niet in strijd met het Unierecht, als die regels in overeenstemming zijn met de Terugkeerrichtlijn, niet ongunstiger zijn dan de regeling voor derdelanders en voldoen aan de toepasselijke bepalingen over de vrijheid van verkeer en verblijf (artikelen 20 en 21 van het VWEU en de Verblijfsrichtlijn). Zie de uitspraak van de Afdeling van 23 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:562, onder 9.2.1 tot en met 9.2.3.
1.1.        Uit deze uitspraak volgt dat de opgeworpen vraag kan worden beantwoord aan de hand van de rechtspraak van het Hof. Gelet op de arresten van het Hof van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punten 13 en 14, 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punt 36, en 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 36, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen.
1.2.        De grief slaagt niet.
2.        Ook de overige grieven leiden niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat deze grieven geen vragen bevatten die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000). Ook zijn in deze zaak geen vragen aan de orde over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest Remling, punten 24 en 31).
3.         De Afdeling ziet ook ambtshalve geen reden om de bewaring onrechtmatig te achten. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. M. den Heyer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. van de Kolk, griffier.
w.g. Den Heyer
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van de Kolk
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 16 juli 2026
1179-347