ECLI:NL:RVS:2026:4074
Raad van State
- Hoger beroep
- M. den Heyer
- Rechtspraak.nl
Bevestiging bewaring burger van de Unie door minister van Asiel en Migratie
De minister van Asiel en Migratie stelde appellant, een burger van de Unie, op 12 maart 2026 in bewaring. Appellant stelde hiertegen beroep in bij de rechtbank Den Haag, die dit beroep op 22 april 2026 ongegrond verklaarde en het verzoek om schadevergoeding afwees. Appellant ging in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
In het hoger beroep werd onder meer de vraag opgeworpen of een burger van de Unie op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 in bewaring kan worden gesteld. De Afdeling verwees naar relevante jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie, waaronder het arrest Ordre des barreaux francophones et germanophone e.a., en concludeerde dat de nationale regels ter implementatie van de Terugkeerrichtlijn ook op Unieburgers kunnen worden toegepast mits deze regels niet ongunstiger zijn dan die voor derdelanders en voldoen aan de bepalingen over vrijheid van verkeer en verblijf.
De Afdeling oordeelde dat de grieven van appellant niet slaagden en dat er geen reden was om de bewaring onrechtmatig te achten. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de bewaring van appellant bevestigd.